Bernstein wilde tongzoenen met de hele wereld

Lezend over Leonard Bernstein bekruipt Arnon Grunberg het gevoel dat de componist en dirigent altijd iets deed terwijl hij iets anders had willen doen.

Leonard Bernstein (links) praat met muzikant Glenn Gould in de Columbia Records-studio in New York, ca. 1955. Foto Marvin Koner/CORBIS

Vlak voor zijn 25ste verjaardag in 1943 componeerde Leonard Bernstein voor de mezzosopraan Jennie Tourel een liederencyclus getiteld Ik haat muziek (I Hate Music). De manager van Tourel keurde de cyclus af, de liederen zouden geen kunst zijn. In de titelsong wordt klassieke muziek gezien door de ogen van een kind. Bernstein schreef: „Ik haat muziek/ Muziek dat zijn een heleboel mannen in een heleboel smokings/ die een heleboel geluid maken zoals een heleboel vrouwen./ Muziek dat zijn heel veel mensen in een grote, donkere zaal/ waar ze eigenlijk helemaal niet willen zijn.”

Deze tekst zegt veel over Leonard Bernstein. Hij heeft het vermogen zich te verplaatsen in een kind, in elk geval een leek. Dat blijkt ook onder andere uit zijn Young People’s Concerts in Carnegie Hall in New York, waarin hij de jeugd liefde voor muziek probeert bij te brengen. Zo laat hij in 1958 kinderen de ouverture van Rossini’s Guillaume Tell horen en dan vraagt hij: „Waar gaat dit over?”

Bernstein antwoordt: „Muziek gaat nergens over. Muziek ís gewoon.”

Biograaf Barry Seldes ziet Bernstein vooral als geëngageerd kunstenaar en politiek activist. Zijn carrière zou niet te begrijpen zijn zonder zijn politieke passies. Seldes plaatst Bernstein op het hoogtepunt van zijn carrière tegenover de Duitse filosoof Adorno en zijn Philosophie der neuen Musik.

In zijn Norton Lectures in 1973 polemiseerde Bernstein met Adorno; hij noemde de Philosophie der neuen Musik „een fascinerend, onaangenaam en bombastisch boek”. Adorno herkende in atonale muziek een verzetsmiddel, en als het publiek die muziek niet zag zitten en wegbleef was dat geen probleem, terwijl Bernstein juist meende dat het publiek het enige was wat we nog hebben. Het creëren van een gemeenschap door middel van muziek is iets wat Bernstein moet hebben nagestreefd. Niet alleen het orkest maar ook het publiek diende met hulp van de dirigent tot een gemeenschap worden omgevormd.

Verder mogen we in de tekst „Ik haat muziek” een voorteken zien van wat kenmerkend voor Bernstein zou worden: het afwisselend beoefenen van zogenaamde hoge en lage kunst. Schijnbaar moeiteloos verenigde hij zogenaamde serieuze kunst en showbizz.

Schijnbaar, want de voortdurende beweging tussen deze twee werelden heeft hem kritiek opgeleverd. Bernstein zelf klaagde erover dat de naoorlogse kunst niet meer „edel” was, alleen nog maar „cool, hip, kitscherig en flauw”; de link tussen esthetische en ethische idealen zou na 1945 zijn doorbroken, de kunst zou zich hebben bekeerd tot de wanhoop. Op het einde van zijn leven sprak hij de vrees uit dat er niet meer van hem zou overblijven dan The West Side Story.

Aangaande Bernsteins vaststelling op vierentwintigjarige leeftijd dat muziek een groep mensen is in een donkere zaal die daar eigenlijk niet had willen zijn: lezend over Bernstein bekruipt je het gevoel dat hij altijd iets deed terwijl hij iets anders had willen doen. Dirigeerde hij, wilde hij componeren. Componeerde hij een symfonie, wilde hij voor Broadway schrijven. Reisde hij – en hij reisde als een maniak – wilde hij bij vrouw en kinderen zijn. Ook zijn promiscuïteit, die na het beëindigen van zijn huwelijk naar het schijnt immense vormen aannam, kan worden begrepen als het verlangen ergens te zijn waar men nu juist niet is.

Leonard Bernstein speelt in zijn appartement in New York piano voor de 20-jarige componist Lukas Foss, 1944. Foto AP

Een oude vriend van Bernstein omschreef hem in die tijd zo: „Hij stopte zijn tong in iedere mond, man of vrouw, hij wilde de hele wereld tongzoenen.” Zijn tijdens zijn huwelijk ternauwernood en vermoedelijk ook niet zo ternauwernood onderdrukte homoseksualiteit zouden we kunnen interpreteren als het verlangen om ergens te zijn waar men niet is, of beter gezegd, zijn huwelijk kan worden begrepen als een poging het verlangen om ergens anders te zijn te onderdrukken.

Ontsnapt aan de sjtetl

Bernsteins vader, Sam, was een Russische jood uit een ultraorthodox milieu, die in 1908 de sjtetl verliet om te ontsnappen aan de met name voor joden gruwelijke tsaristische dienstplicht. Leonards moeder, Jennie, eveneens joods, werd geboren in Shepetovka, maar een kilometer of dertig van de geboorteplaats van Sam.

Sam trouwde met Jennie en zette een zaak op in schoonheidsartikelen die al snel goed liep. Later zou hij zich erover beklagen dat hij niet begreep waarom Leonard – Lenny voor intimi – niet van de muziek zijn hobby maakte en van de schoonheidsartikelen zijn beroep.

De muziek kwam in het leven van Leonard dankzij tante Clara, de zuster van Sam, een naar het schijnt tamelijk excentrieke dame die in 1911 naar Amerika was gekomen. Ze was voedingsdeskundige, vegetariër en nudiste, en gaf Sam en zijn gezin een piano. Vanaf het moment dat Leonard achter de piano ging zitten was hij er niet meer achter weg te slaan. Later zou hij zeggen: „Plotseling voelde ik me in het centrum van een universum dat ik kon controleren. […] Ik was veilig achter de piano.”

Als jongeman had Bernstein zowel communistische als zionistische sympathieën. Het dossier dat de FBI over hem samenstelde, ging uiteraard vooral over zijn communistische activiteiten en hoewel hij nooit lid is geweest van de communistische partij in Amerika weigerde de US Passport Office in 1953 Bernsteins paspoort te vernieuwen. Bernstein roept de hulp in van een advocaat en legt een verklaring af die hem pijn moet hebben gedaan. Hij verklaart een vijand van het communisme te zijn.

Daarmee zijn de politieke problemen voor Bernstein niet voorbij. In 1969 arresteert de politie leden van de Black Panther-beweging. De Bernsteins organiseren een feest in hun appartement op Park Avenue om geld in te zamelen voor de gearresteerde leden. Op dat feest zijn ook een paar journalisten aanwezig, onder wie de schrijver Tom Wolfe, die in New York Magazine een vernietigend artikel van 25.000 woorden schrijft met de kop: Radical Chic. The party at Lenny’s. Wolfes artikel zou de reputatie van Bernstein ernstig hebben beschadigd.

Een vraag die Bernsteins biografen telkens weer stellen is waarom Bernstein nooit het meesterwerk heeft geschreven dat hij zou schrijven; zelf heeft hij herhaaldelijk aangegeven de grote Amerikaanse opera te willen schrijven.

Leonard Bernstein in 1989
Foto Janek Skarzynski/EPA
Leonard BERNSTEIN (1918-1990) Amerikaanse dirigent. American conductor.Tijdens een een concert in het Amsterdamse Concertgebouw. foto VINCENT MENTZEL/NRCH ==B/W== Nederland. Amsterdam, 7 oktober 1987
Leonard Bernstein in Warschau, 1989 en in het Concertgebouw in Amsterdam, 1987
Foto’s Janek Skarzynski/EPA en Vincent Mentzel/NRC

Twee zielen in Bernstein

De criticus David Denby stelt dat Bernstein een liberaal is die de politiek te persoonlijk nam. Iemand, aldus Denby, die dacht dat politiek actief zijn betekende je ergens tegen uit spreken, en, nog erger, die dacht dat je ergens tegen uitspreken kunst was.

Maar om Bernstein beter te begrijpen moeten we nog eens terug naar Adorno, de filosoof over wie Bernstein met afkeer en toch ook bewondering had geschreven.

Het is verleidelijk maar te gemakkelijk Bernstein te verklaren door de tegenstelling Amerika-Europa te creëren. Het oude, vernietigde en melancholische Europa tegenover het vitale maar ook naïeve Amerika. Met dit voorbehoud, lijkt het alsof we deze twee zielen in Bernstein aantreffen. Hoewel hij hem ongetwijfeld veracht zal hebben, zat er een Reagan in Bernstein, voor zover we Reagan begrijpen als de man die in 1980 werd gekozen, mede omdat hij niet moe werd te verklaren dat het ochtend was in Amerika en dat het daar ook altijd ochtend zou blijven. Dit ietwat naïeve optimisme spreekt eveneens uit Bernsteins leven. Zelfs zijn behoefte om te tongzoenen met de hele wereld kan worden verklaard als een poging de ochtend eindeloos te rekken.

Voor Adorno was het altijd middernacht. Hij schreef dat de ondergang het doel is van elk kunstwerk, „het wil alle andere kunstwerken doodmaken”; de zelfvernietigingsdrang van het kunstwerk stond voor Adorno buiten kijf.

Bernstein had zeker neigingen die Adorno’s kant opgaan in zijn opvatting dat de muziek niet meer edel was, in het feit dat hij zijn politieke idealen tot de laatste snik bleef verdedigen, en dat hij met de ogen van het kind keek en verklaarde: „Ik haat muziek.”

In zijn werk kon hij niet werkelijk toegeven aan de wanhoop, daarvoor was hij allicht te didactisch ingesteld. In Bernsteins derde symfonie, ‘Kaddish’, waarvoor hij ook tekst scheef, stelt de mens God gerust: ‘Hoe groot Uw pijn ook is, ik zal U helpen hem te doorstaan, o God, geloof. Geloof in mij, en U zult het hemelse koninkrijk zien.’

Geruststellen, dat lijkt me een essentiële kwaliteit geweest te zijn van Bernstein. Iedereen geruststellen, zelfs God. Ook daarom kwam de dood wellicht eerder dan het meesterwerk, geruststellend is monumentale kunst namelijk zelden.

Op 29 mei 1990 zit Bernstein in het InterContinental Hotel in Praag. Zijn vrouw leeft niet meer, net als hij was ze een kettingrookster. De gezondheid van Bernstein gaat rap achteruit, na elk concert moet hij eerst achter de coulissen aan de zuurstofmachine. Het schijnt dat hij na de zuurstofmachine nog snel een halve sigaret rookte voor hij terugkeerde naar het orkest om het applaus in ontvangst te nemen.

Die 29ste mei schrijft Bernstein een gedicht waarin staat dat hij niet bang is voor de dood maar wel bang is dat hij zijn stuk (‘my Piece’) niet zal schrijven, dat zijn niet-zijn eerder zal komen dan dat stuk.

Voor zover hij nog de man is die met de hele wereld wil tongzoenen is hij daartoe niet meer in staat. De componist die de kunst verweet van wanhoop gemaakt te zijn, lijkt nu zelf uit weinig meer dan wanhoop te bestaan.