Amsterdam kan niet zonder beursindex

Hoera, hij is door de 500. Woensdag stak de AEX-index voor het eerst in bijna twee jaar zijn kop weer boven deze grens. Dat feestje is de afgelopen jaren iets te vaak gevierd. Er lopen op dit moment eerstejaars economie rond die geboren werden toen de index voor het eerst door de 500 ging: in maart 1998, al was de AEX toen nog in guldens. Nog geen jaar later, bij de invoering van de euro werd de index omgerekend naar euro’s, en was toen al 538 punten. Ruim anderhalf jaar daarna bereikte hij een record van 701,56 punten, dat nimmer meer is geëvenaard.

De index is niet zonder symboliek. Vanaf eind jaren zestig tot begin jaren tachtig stonden de aandelenkoersen ook al zeer lang stil. De geboorte van de index in 1983, die toen nog EOE heette, viel samen met de wederopstanding van het kapitalisme na de jaren zeventig. EOE stond voor European Options Exchange, de optiebeurs die destijds werd geopend. Deze column is overigens geschreven in hetzelfde gebouw aan het Amsterdamse Rokin als waar die beurs gevestigd was.

Is de index ditmaal langzaam aan het sterven? Het ziet er niet goed uit. Hoewel de samenstelling van de AEX, die volgende maand zijn jaarlijkse wijziging ondergaat, de laatste jaren weer best een aardig beeld geeft van het beursgenoteerde Nederlandse bedrijfsleven, lijkt de behoefte aan de AEX af te nemen. Grote Nederlandse beleggers zijn te omvangrijk om enkel in Nederlandse fondsen te investeren, en ook kleinere spreiden liever buiten de grens. Zij kijken naar regionale indices, of naar sectoren, en die vind je bij Eurostoxx of FTSE.

Er zijn eerstejaars economiestudenten die geboren werden toen de AEX voor het eerst door de 500 ging

Buitenlandse huizen hebben op hun beurt weinig aan een puur Nederlandse index. En de genoteerde bedrijven zijn zelf in de regel ook veel te groot voor Nederland. De grootste fondsen, Unilever en Shell, zijn half Brits en halen hun omzet en winst van over de hele wereld. Zij maken samen al bijna 30 procent van de AEX-uit. Tel ING en ASML erbij op, en straks een geheel beursgenoteerd ABN Amro, en meer dan de helft van de index bestaat uit vijf bedrijven.

En zo is de AEX langzaam aan het verpieteren. Ook in het oog van de internationale financiële sector. Beursanalist Corné van Zeijl was er vorig jaar als eerste bij. „Bloomberg belde: de #AEX is zo onbelangrijk geworden dat het van het standaard aandelenscherm (WEI) gaat verdwijnen. Euronext let op uw zaak”, twitterde hij eind april.

Dit behoeft enige uitleg. Zoals veel mensen die hun muziekinstrument pakken vaak beginnen met hetzelfde riedeltje, roepen veel Bloomberg-gebruikers als ze de dag beginnen altijd hetzelfde scherm op. Vaak is dat één van deze drie: WB staat voor world bonds, en geeft een overzicht van staatsleningen van belangrijke landen en de renteverschillen daartussen. TOP is gewoon al het belangrijkste nieuws. En WEI staat voor world equity indices. Daar staan achtereenvolgend de Amerikaanse (Dow, S&P), de Europese en de Aziatische.

Op een kwade dag vorig jaar was de AEX, die daar altijd prominent tussen stond, dus verdwenen. Nu moet je eerst doorklikken op de Europese indices, en vervolgens drie pagina’s naar beneden scrollen tot je hem tegenkomt. Hij staat nu tussen de indices van IJsland en België.

Van de Eredivisie naar de Jupiler League, zogezegd. Dat is best pijnlijk voor het land waar de moderne effectenbeurs zo’n beetje is uitgevonden. Moet de AEX-index dan maar weg? Tradities zijn ook belangrijk. Het is een relatief kleine moeite de index te onderhouden. En, het is niet te hopen, maar misschien komt in de toekomst een nationale beursindex wel weer van pas.