De rivier is breder, de rust is terug

Waterbeheer

Door Ruimte voor de Rivier kan Nederland hoge waterstanden in zijn rivieren beter opvangen. Hoe ingrijpend ook, het project verliep tamelijk ongestoord. Na tien jaar is het klaar.

De nieuw aangelegde nevengeul van de rivier de Waal. Siebe Swart

Het is volbracht. Bijna. Na ruim tien jaar zijn nagenoeg alle maatregelen uit het programma Ruimte voor de Rivier uitgevoerd.

Er zijn protestdemonstraties geweest. Er zijn alternatieve plannen ingediend door omwonenden, zoals bij Nijmegen waar huizen moesten worden gesloopt voor een dijkverlegging in de Waal. Met tractoren zijn boze boeren naar het waterschap gereden, zoals in Gelderland, waar boeren moesten wijken voor een negen kilometer lange nevengeul die naar verwachting slechts eens in een mensenleven zal worden geopend.

Nu is de rust weergekeerd. In het rivierengebied zijn uiterwaarden vergraven. Kribben zijn verlaagd. Akkers en weilanden zijn opgekocht, boerderijen zijn op wielen gezet en verplaatst of op terpen herbouwd. Er zijn dijken en keringen vervaardigd. En de boeren zijn rustiger geworden. Ze klagen nog steeds, maar „we hebben er vrede mee”, zeggen Jenny en André Nooteboom uit Heerde. Ze zitten aan de keukentafel van hun boerderij, niet ver van de nieuwe nevengeul tussen Veessen en Wapenveld, die de IJssel bij hoogwater moet ontlasten. „Je moet niet blijven mekkeren. Anders gaat het aan je ziel knagen, en dat is niet goed.”

Donderdag komt minister Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu, VVD) naar Gelderland om de nevengeul officieel in gebruik te stellen. „Een knap stukje werk”, moet boer André Nooteboom erkennen als hij praat over de zogenoemde inlaat, een reeks kleppen bij Veessen die, ongeveer zoals de Oosterscheldekering in Zeeland, water doorlaat als er te veel van door de IJssel stroomt en overstromingen dreigen. Honderden meters breed is de geul, een laagte in het landschap waarvoor negen bedrijven en vijf woningen zijn geweken.

Grootscheepse evacuaties

Op ruim dertig plaatsen is de afgelopen tien jaar meer ruimte voor de rivier gemaakt. Aanleiding waren de hoogwaters, met grootscheepse evacuaties in de jaren negentig in het rivierengebied. Uitgangspunt was dat de Nederlandse rivieren ingesteld moeten zijn op het verwerken van een hoeveelheid water die bij Lobith het land binnenstroomt van 15.000 tot 16.000 kubieke meter per seconde. Toekomstige maatregelen moeten afvoer van zelfs 18.000 kubieke meter mogelijk maken in 2100. Tijdens de hoogwaters in de jaren negentig werd ongeveer 12.000 kubieke meter gemeten.

De maatregelen hebben geleid tot een verlaging van het peil bij hoogwater van gemiddeld dertig centimeter langs alle Rijntakken. Op sommige plaatsen, zoals bij de hoogwatergeul bij Veessen en Wapenveld, is het hoogwaterpeil ruim zeventig centimeter gedaald. Goed nieuws voor een stad als Deventer, waarvan de inwoners niet zo snel meer natte voeten zullen krijgen. De verdeling van het water over de grote rivieren blijft overigens dezelfde: tweederde van het water van de Rijn stroomt naar de Waal, tweenegende naar Nederrijn en Lek, en eennegende naar de IJssel.

Bekijk de fotoserie door Kees van de Veen langs het Nederlandse water: Nederland Waterland

Veel weerstand onder omwonenden laat zich verklaren uit het min of meer onwrikbare uitgangspunt dat de maatregelen hoe dan ook moesten leiden tot de gewenste waterstandsverlaging. Alternatieve plannen waren welkom, maar het benodigde aantal centimeters moest wel worden gehaald.

Geert Roovers, werkzaam bij advies- en ingenieursbureau Antea Group, promoveerde op de besluitvorming hiervoor. „Begin deze eeuw zijn keuzes gemaakt om dijken niet verder te verhogen en ook geen grote retentiegebieden aan te leggen om het water vast te kunnen houden. Er is gekozen voor meer ruimte langs de rivieren.” Die keuze is wel verdedigbaar, vindt hij, maar ze is destijds gemaakt door een kleine groep experts en vastgesteld in de Tweede Kamer. „Er is nauwelijks politieke discussie over geweest. Zeker niet lokaal, en zonder dat de consequenties daarvan voor de diverse gebieden in beeld waren. En de keren dat er wél politieke discussie was, werd er op tegenstanders van plannen een moreel appèl gedaan, zoals door minister Melanie Schultz, destijds nog staatssecretaris, in de Eerste Kamer.”

Democratisch waterbeheer

Zeker, ook Geert Roovers weet dat veelal experts over waterbeheer beslissen, onder het motto: water is te belangrijk om aan de grillen van politici over te laten. „Toch is politiek de grondslag van onze democratie. Dat geldt ook voor waterbeheer.”

Op deze kritiek valt het nodige af te dingen. Om te beginnen is het niet zo vreemd dat destijds niet is gekozen voor dijkverzwaring of aanleg van retentiegebieden. Men wilde niet almaar doorgaan met het verhogen van dijken, was de idee, en het nadeel van retentiegebieden is dat ze héél groot moeten zijn – en dan nog een beperkte capaciteit hebben – om uiteindelijk alsnog dreigen te overstromen, zoals nu dat stuwmeer in Californië.

„Vol is vol”, zegt rivierdeskundige Frans Klijn van kennisinstituut Deltares. Het lag veel meer voor de hand de vele „flessenhalzen” in de Nederlandse rivieren aan te pakken. Die verhogen de druk van het water, ongeveer zoals personages in tekenfilms hun voet op een tuinslang zetten, en dus ook de waterstand. „Die flessenhalzen liggen veelal bij steden. Daar is het soms moeilijk de dijken te verleggen, en dan is voor een bypass van de rivier gekozen.” Extra ruimte bij flessenhalzen kan de waterstand tot enkele tientallen kilometers stroomopwaarts verlagen.

Veel gehoord is ook de opvatting dat onze rivieren niet zo veel extra ruimte nodig hebben als Duitsland meer werk van waterbeheer zou maken. Maar behalve dat de Duitsers daar nu juist wél werk van maken, is het ook onwenselijk daarop te speculeren, zegt Klijn. „Je moet als land je probleem zélf oplossen.”

Werden de besluiten in het begin van Ruimte voor de Rivier wellicht wat technocratisch genomen, later kon er veel, héél veel gepraat worden over welke maatregelen de beste waren. Rijkswaterstaat, waterschappen, provincies, gemeenten en particulieren deden samen zevenhonderd suggesties. Waterloopkundigen uit Delft vervaardigden vervolgens een „blokkendoos” waarmee je kon spelen. In dit hydraulische model kon je nauwkeurig zien wat het effect van welke maatregel zou zijn.

Rijkswaterstaat, waterschappen, provincies, gemeenten en particulieren deden samen zevenhonderd suggesties voor maatregelen

Veel bestuurders, watermanagers, wethouders en actievoerders hebben met de blokkendoos gespeeld, vertelt Cor Beekmans, riviermanager van Ruimte voor de Rivier. „Het klopt dat de uitgangspunten niet ter discussie konden worden gesteld. Maar er is wel degelijk heel veel meegedacht over het optimale pakket wat betreft effect, kosten en maatschappelijke aanvaardbaarheid – door wethouders en gedeputeerden, door waterschappen en maatschappelijke organisaties.” Bovendien zijn veel omwonenden met grote omzichtigheid benaderd, blijkt uit gesprekken mensen in onder meer Lent en Veessen.

Bij de bewoners van de honderdvijftig woningen die zijn gesloopt, is weinig enthousiasme te bespeuren, en ook de boeren in Veessen hebben veel klachten, twijfels en zorgen. Er zijn bittere verhalen over de „harde onderhandelaars” van Rijkswaterstaat en de veelvuldig wisselende projectleiders. Boer André Nooteboom, tevens voorzitter van de agrarische belangengroep in Veessen-Wapenveld: „Telkens als ik dacht dat ik iets duidelijk had uitgelegd, moest ik het aan een nieuwe projectleider gaan vertellen.”

Maar gezien de maatschappelijke weerstand die bijvoorbeeld de aanleg van de Betuwelijn opriep, is hier langs de rivier toch ook iets goed gegaan. Dijkgraaf Tanja Klip van waterschap Vallei en Veluwe, dat de bouw van de geul leidde: „We zijn ons goed bewust van wat de inwoners hier moesten opgeven en hebben oprecht bewondering voor de veerkracht die de mensen hier getoond hebben.”

Eens in de tachtig jaar een eiland

Tenslotte is het programma typisch Nederlands als het gaat om het rekening houden met van alles en nog wat, grote en minder grote belangen. Neem de hoogwatergeul tussen Veessen en Wapenveld. Projectmanager Toine Tillemans van het waterschap herinnert zich nog goed de angst dat een tweede brug tussen geul en IJsseldijk zou worden geschrapbij bij een bezuinigingsronde, enkele jaren geleden. „Gelukkig hebben we dat kunnen voorkomen.” Nu is er niet alleen een brug gebouwd bij de inlaat van de geul, maar ook negen kilometer noordelijker, bij de uitlaat. Zodat de bewoners van het gebied tussen uiterwaarden en geul, als er eens in de tachtig jaar water door gaat stromen, niet op een eiland komen te zitten, maar vrij eenvoudig kunnen vertrekken. De brug is er gekomen, ingenieus in twee delen ontworpen om een eeuwenoude kolk met cultuurhistorische waarde niet te hoeven dempen. Ook dat nog.

Zo is Ruimte voor de Rivier een behoorlijk succesvol project geworden. Mogelijke weerstand van maatschappelijke organisaties werd beter ingeschat dan bij de Betuwelijn, en de risico’s tijdens de bouw werden beter in kaart gebracht dan bij de Hogesnelheidslijn-zuid. Dat voorkwam dat de bouw langdurig zou moeten worden stilgelegd door bijvoorbeeld procedures bij de Raad van State, of dat kosten bij tegenvallers op de belastingbetaler zouden worden afgewenteld. „We houden zelfs 50 miljoen euro over”, zegt riviermanager Beekmans.

Het einde van Ruimte voor de Rivier maakt geen einde aan het rivierbeheer. Klaar zijn de watermanagers nooit. De laatste jaren is meer bekend geworden over de zwakte van sommige rivierdijken, en ook is er meer aandacht voor de gevolgen van overstromingen in het rivierengebied, hoe klein die kans ook is. En dus worden de komende jaren weer enkele honderden kilometers dijk versterkt, verwacht Bas Jonkman, hoogleraar waterbouwkunde aan de TU Delft. „Het werk in het rivierengebied is nog lang niet af.”