Recensie

‘Into the woods’ is een gehaaide zedenles voor volwassenen

Musical vergt een hoge graad van perfectie. In de productie van zangeres Esther Maas is die tot stand gekomen.

Pas op met wat je wenst, aldus de moraal van Into the woods. Foto Peggy de Haan

Assepoester, Roodkapje, Rapunzel, Sjaak van de bonenstaak en nog een handjevol andere sprookjesfiguren zijn de hoofdpersonen in Into the woods – een musical waarin diverse sprookjes zijn verknoopt om te ontpoppen tot een zedenles voor volwassenen. Pas op met wat je wenst, aldus de moraal, want dat kan gauw verkeerd gaan. De mens is nu eenmaal van nature zondig en zelfzuchtig. Zelfs de vrouw van de bakker blijkt, als haar kinderwens is vervuld, open te staan voor buitenechtelijk divertissement.

Into the woods is een creatie van Stephen Sondheim, de grootste musicalvernieuwer van de afgelopen halve eeuw. Wie dit sprookje wil ensceneren, ziet zich voor een zware taak gesteld. Sondheim laat tekst en muziek zo gehaaid in elkaar grijpen dat ook de kleinste afwijking zou afdoen aan de schittering van het geheel, waarin menigmaal twee melodieën gelijktijdig opkomen, omdat de personages elk iets anders willen zeggen.

Zo’n voorstelling vergt een hoge graad van perfectie. En die is in de productie van de zangeres Esther Maas tot stand gekomen. Zelf speelt ze een humane heks die niet krijst, zoals de meeste andere theaterheksen. In totaal telt het ensemble dertien spelers en vijftien musici – een ongekende omvang voor Nederlandse musicalbegrippen. Onder leiding van Jeroen Sleyfer speelt het orkest de partituren met alle gewenste finesse. Terwijl de spelers eveneens een geolied ensemble vormen, met virtuozen als Lone van Roosendaal, Elise Schaap, Paul Groot, René van Kooten, Brigitte Heitzer en Wart Kamps.

Op een smalle strook vóór het op het podium geplaatste orkest spelen ze het verhaal – lenig vertaald door Jeremy Baker, met buitelende binnen- en buitenrijmen. Decors zijn voor deze show overbodig, bewijst regisseur Gijs de Lange, die zijn vindingrijke enscenering een mooie ontwikkeling laat doormaken – van de cartooneske (uiterst grappige) motoriek uit het begin naar de levensechte menselijkheid van later. Hogeschoolwerk is dit, in alle opzichten.