Column

Doe maar rustig

We waren weer eens in Arnhem, de stad I love to hate. We logeerden in een hotel in het bos. De tweede dag ging ik uitgeslapen naar het Gelredome waar Vitesse tegen Ajax speelde. Tijdens de korte rit met de bus van het veel te grote station naar het veel te grote stadion werd ik herkend als de schrijver van drie kutboeken over Vitesse en een boek over zijn dochter. Wat de Arnhemmer zo sympathiek maakt is dat hij je zijn mening in het gezicht blaft. Hij toont zich als het ware naakt, iets waarvoor hij zichzelf, als hij klaar is, ook nog complimenteert.

„Ik heb het tenminste niet achter de ellebogen.”

In het stadion werd tijdens de rust een fiets in een van de goals gehangen voor het spel ‘raak een spaak’, waarna twee supporters om beurten probeerden om daar een bal tegenaan te schoppen hetgeen natuurlijk maar niet wilde lukken.

„Mis”, zei de entertainer met de microfoon die ernaast stond in wie ik Emile Hartkamp, de liedjesschrijver van Frans Bauer, herkende die na een maagverkleining – niet overdreven – minimaal honderd kilo is afgevallen.

„Weer mis.”

In het stadion reageerde niemand op wat zich in het strafschopgebied afspeelde.

Vroeger werd je voor zo’n wanprestatie dan tenminste nog helemaal verrot gescholden, dacht ik weemoedig.

Maar ja, vroeger leefde mijn vader nog en in het oude stadionnetje waar Vitesse vroeger speelde kon je in de pauze geen kant op. De keer in de voorbereiding tegen Feyenoord dat een wolkbreuk de witte pakjes van de majorettes op het veld doorzichtig maakte. Internet bestond nog niet, een blote tiet was nog wat en een stuk of veertig tegelijkertijd was misschien wel te veel. De supporters klommen haast over de hekken van geiligheid. Ik stond als verstijfd naast mijn vader te slikken. Er hing een euforische sfeer ineens, vooral ook omdat die majorettes maar door bleven springen. Mijn vader die thuis mijn moeder had zitten en die dus wel wat gewend was legde een hand op mijn schouder toen ze ‘olé-oléé’ begonnen te zingen.

„Doe maar rustig.”

Emile Hartkamp sprak weer in zijn microfoon, weg herinnering.

„En de laatste bal gaat ook weer mis…”

Terwijl hij met die twee supporters van het veld sjokte zei hij net iets te enthousiast dat de jackpot bij de volgende ‘raak een spaak’ weer wat hoger zou zijn. Toen hij zijn hand op stak om naar ons te zwaaien had er eigenlijk iemand moeten zijn die een arm om hem heen sloeg.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.