Column

Stiller

Column Ellen Deckwitz

Als je er middenin zit denk je dat het allemaal wel meevalt, maar toch is het ieder jaar weer een enorme opluchting als de winter begint af te nemen. Alsof je iets hebt overleefd. Gisteravond kwam ik rond etenstijd thuis en was de schemering pas net aan het inzetten. Het voelde alsof er meer tijd was. In de diepblauwe lucht waren al wat sterren aangedaan, een merel zong in de verte. Ik moest denken aan de winteravonden die ik als kind bij mijn grootmoeder (die bij ons om de hoek woonde) doorbracht: een felle vrouw met een kampverleden. Ze was in de oorlog bijna verhongerd.

Het schijnt dat er twee soorten reacties mogelijk zijn wanneer je de dood in de ogen hebt gekeken: de ene is dankbaarheid voor ieder extra uur, de ander is een nog grotere angst te sterven. Mijn grootmoeder behoorde tot de laatste categorie. Ze kon onophoudelijk vertellen over hoe het leven een tranendal was en dat we er ieder moment aan konden gaan. Ik zat er altijd stil bij, me schuldig te voelen dat haar al die erge dingen waren overkomen. Ik kon er niets tegenin brengen want tja, ik had de oorlog niet meegemaakt.

Wanneer het voorjaar naderde bezocht ik haar minder. Ik had haar door de grootste duisternis heen getrokken, mijn taak zat er voor dat jaar weer op. En zo was de lente niet alleen vreugdevol omdat er meer licht was en er dus meer blijheidsstofjes in mijn hoofd vrijkwamen, maar ook omdat ik weer even van de aanwezigheid van mijn grootmoeder was verlost. Van de constante doodsangst die ze probeerde te bezweren, door er onophoudelijk over te praten. Tegen mij.

Misschien dat het daardoor, wanneer het lente wordt, stiller is in mijn hoofd. De winterse elegie die ik als kind en tiener doorstond, verdwijnt met het stijgen van de temperatuur naar de achtergrond. De voorjaarslucht blust de angst in mijn borst, verfrist mijn voorhoofd, blaast de dorre lucht uit mijn oren.

Mijn oma is er al jaren niet meer, maar zoals de meeste doden blijft ze doorpraten. Soms hoor ik haar stem als iemand me geen voorrang geeft, of als ik in de krant lees over wat mensen elkaar aandoen in ruil voor voedsel, geld of aandacht. Maar op voorjaarsavonden als die van het afgelopen weekend verdwijnt de stem naar de achtergrond.

Ik ben er nog, denk ik dan, ik heb het weer gered. Alsof ik de hele winter keihard heb gefietst en nu kan uitzwieren. Mijn verhitte voorhoofd wordt gedoopt door vijverkoele lucht, die me verlost van al te acute doodangst. Het wordt langzaam weer licht, en eindelijk weer stil in mijn hoofd, op het gezang van een enkele, welkome merel na.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.