Column

De heilige Bruce

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft Pia de Jong over wat haar opvalt. Vandaag: het arbeiderskind dat iedereen hoop gaf.

Illustratie Eliane Gerrits

Zoals je overal in Limburg langs de weg kapelletjes aantreft met een Mariabeeld, staan verspreid over New Jersey standbeelden van Bruce Springsteen. En net zoals Limburgers even stilstaan om een weesgegroetje te bidden, zo stoppen ze hier om hun geliefde zanger aan te raken.

Bruce Springsteen is New Jersey, New Jersey is Bruce Springsteen. Een man van het volk die wereldfaam veroverde, maar nooit zijn eenvoudige achtergrond vergat. Een arbeiderskind dat opgroeide in de recessie van de jaren zeventig, maar iedereen hoop gaf.

Curator Barb Webb leidt me rond door de tentoonstelling over ‘The Boss’ in Huis Morven, een charmant museum in Princeton. „Zoals bij iedereen in New Jersey is mijn leven totaal met hem verweven”, vertelt ze, terwijl op de achtergrond ‘The River’ speelt.

„In 1973 – ik was toen zeventien – werd ik tot mijn uitzinnige blijdschap uitverkoren tot cheerleader. Opeens was ik iemand, keken al die duizenden kinderen van mijn highschool tegen me op. Een van hen was Alfie. Mijn eerste liefde.”

„Alfie draaide muziek van Springsteen voor me op zijn platenspeler. Hij bemachtigde kaartjes voor ons tweeën voor een concert in het Tower Theater in Philadelphia. Daar stond mijn held, die ook nog leek op Alfie. Rock-’n-roll, Alfie, Springsteen, ik. Die dag ging mijn wereld open.” Ik zie de jonge Barb voor me, dansend in haar cheerleaderpakje met Alfie. Volmaakt gelukkig.

We’d ride out of this valley down to where the fields were green/ We’d go down to the river/ And into the river we’d dive.

„Wat is de ziel van New Jersey?”, vraag ik haar. „Iedereen denkt dat New Jersey geen ziel heeft”, zegt ze met onverwachte energie. „Dat deze staat louter bestaat uit afslagen van de snelweg van New York naar Philly. Maar al die exits zijn toegangspoorten tot plaatsen met een eigen karakter, eigen geschiedenis. De oude industrieën, de working poor. Springsteen schreef voor iedereen. Ook voor mij. Iedereen is een keer jong en droomt. Alleen voor de meesten leeft die droom maar kort.”

Barb staat stil voor de foto die haar het meest raakt. Een schriele jongen speelt gitaar in de keuken. Goedkope vitrage voor het raam. Een kleedje op de tafel.

„Zo zag de keuken er bij mij thuis ook uit. We wilden allemaal ontsnappen. Born to run. Hij bracht dat onder woorden. Springsteen is een geloof”, zegt ze. „Zijn teksten zijn ons evangelie. Hij is onze beschermheilige.”

Onderweg naar huis, bij een tankstation strek ik mijn benen bij een beeld van The Boss. Om zijn voorhoofd zit een rode bandana. Een oudere man in een blauwe overall met ‘Bill’ op het borstzakje gestikt komt het tankstation uit lopen. „Even gedag zeggen tegen The Boss, hè”, zeg hij met een rauw Jersey-accent. „Wel, veel mensen staan hier even stil. En sommigen stelen de bandana, als een souvenir. Irritant, maar ik begrijp het wel.”

Ik kijk naar de diepe groeven in zijn gezicht. Hij moet ongeveer even oud zijn als Springsteen. Zijn ogen staan droef.

Als ik wegrij zet ik ‘The River’ op: „Now those memories come back to haunt me/ They haunt me like a curse/Is a dream a lie if it don’t come true / Or is it something worse.

Reacties naar pdejong@ias.nl