Interview

Nieuwsgierig naar de lijken voor de snijzaal

Marga Spil Historisch onderzoeker

Marga Spil speurt naar wat er gebeurde met de lichamen van gevangenen nadat zij waren overleden.

Marga Spil: „De doodstraf is in Nederland in 1870 afgeschaft. Maar er stierven wel veel mensen in gevangenissen.” Foto Lars van den Brink

„Ik heb de eer te berigten dat ik gaarne het lijk [...] naar de Kweekschool voor Militaire Geneeskunde had verzonden”, schrijft de arts van de gevangenis in Woerden, op 13 december 1856 aan zijn baas bij het leger. Hij verontschuldigt zich: de burgemeester had bepaald dat de man die in zijn gevangenis gestorven was, naar de hogeschool van Utrecht moest worden verstuurd.

Maar, voegt de gevangenis-arts eraan toe, al met al kreeg de Kweekschool genoeg lichamen. „Dat ik in mijne pogingen, omtrent het verzenden van lijken niet in gebreken ben gebleven, zal uit de volgende opgaaf blijken.” De kweekschool waren de afgelopen twee jaar méér doden gegund dan de hogeschool: 24 tegen 14.

De brief werd gevonden door Marga Spil (1966), tijdens haar medisch-historisch onderzoek naar de herkomst van lichamen voor snijpractica in Nederland. In de tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw was er een nijpend tekort aan lichamen.

Hoe kwamen de geneeskunde-opleidingen aan die lijken? Dat vroeg Spil zich zeven jaar geleden af, toen ze een aflevering van de documentaire-serie History Cold Case keek. Ze is noch historica, noch arts. Toch werd ze gast-onderzoeker bij het Erasmus MC in Rotterdam. Dinsdag geeft ze bij het Trefpunt Medische Geschiedenis, een landelijk centrum in Urk, de eerste lezing over haar onderzoek.

Spil ontdekte dat een aanzienlijk deel van de lijken voor snijpractica uit strafgevangenissen afkomstig was. En er lag een zekere druk op de gevangenissen om de gewenste lijken ook te leveren.

„Drie van de vier medische opleidingen onderhielden nauwe banden met gevangenissen in de regio. Sinds 1882 was dat zelfs bij ministerieel besluit geregeld: de geneeskunde-opleidingen van Leiden, Utrecht en Groningen konden elk de beschikking krijgen over overledenen uit de gevangenissen uit de omgeving. Alleen bij de Amsterdamse opleiding gebeurde dat niet.”

Anatomische les (op een aap) in 1925, schilderij van Martin Monnickendam. Foto Amsterdams Museum / Wikipedia

Het is nogal een stap van een ingeving door een tv-programma, naar gestructureerd medisch-historisch onderzoek. Wat dreef u?

„Ik deed al jaren archief-onderzoek voor het bakkerijmuseum van mijn ouders, in Medemblik. In 2014 bezocht ik een open dag van de Nederlandse Vereniging voor Medische Geschiedenis. Zo ontmoette ik hoogleraar medische geschiedenis Mart van Lieburg, die enthousiast werd over mijn vraag. Mijn drijfveer is dat ik kan schrijven over mensen die in de geschiedenis niet of nauwelijks sporen achterlaten. Eerst zocht ik in archieven naar bakkers, nu naar gevangenen die op de snijtafel belandden.”

Kon u achterhalen waar de lichamen voor snijpractica vandaan kwamen?

„De informatie erover is fragmentarisch. Ik heb een overzicht gevonden van de Universiteit Leiden, van 1865 tot 1872. De meeste lichamen, 67, waren van overledenen uit het academisch ziekenhuis en andere ziekenhuizen in de buurt. Maar er kwamen in die periode ook 22 lichamen uit gevangenissen. En de gevangenis-arts in Woerden heeft het over 1 tot 12 lichamen per jaar.”

Mijn eerste ingeving was dat die mensen geëxecuteerd waren.

„Dat is niet zo. De doodstraf is in Nederland voor het laatst in 1860 voltrokken, en in 1870 afgeschaft. Maar er stierven wel veel mensen in gevangenissen. Er heersten besmettelijke ziekten zoals cholera en tbc, er was vaak eenzijdig eten, en gevangenen raakten in slechte conditie. Ze moesten soms meer dan twaalf uur per dag werken.”

Een negentiende-eeuwse gevangenis (Groningen, nu de Van Mesdag Kliniek). Foto Wikipedia

Door de Verlichting veranderden eind 18de eeuw de opvattingen over straf in West-Europa. Lijfstraffen en executies werden als meedogenloos en primitief beschouwd. Ervoor in de plaats kwamen cellulaire gevangenissen, zoals in 1847 in Amsterdam en in 1866 in Rotterdam.

In dezelfde periode groeide de behoefte aan lichamen voor medisch onderwijs. De opleidingen geneeskunde trokken steeds meer studenten, en de medische wetenschap werd serieuzer. De tekorten groeiden, en daar werd over geklaagd.

Spil: „De nood was hoog. Ik weet dat in 1859 een rapport is rondgestuurd over het grote aantal lichamen dat de vrouwengevangenis in Gouda had geleverd. Als voorbeeld van: zo kan het.

„Je ziet ook dat meerdere hoogleraren over tekorten klaagden. In 1907 trekt de Leidse professor Langelaan bij het ministerie aan de bel, omdat hij ieder jaar 35 lichamen nodig heeft. Hij vindt dat het een regeringstaak is.”

U wilde nagaan of gevangenen konden bepalen wat er na hun dood met hun lichaam gebeurde. Is dat gelukt?

„Ik heb daar één verwijzing over kunnen vinden, bij de oudheidkundige vereniging van Gouda. In 1856 sterft Annegien Bonkestooter daar in de gevangenis. Zij heeft aangegeven dat ze ‘niet naar de anatomie wil’ als ze sterft. De commissie van administratie willigt haar verzoek eerst in, maar daarna komen ze daar toch op terug. Ze willen voldoen aan de ‘verordening van 1847’. Ik zoek al maanden naar die verordening.”

Hadden nabestaanden eigenlijk geen zeggenschap over het lichaam van overleden gevangenen?

„Ja, de familie moest toestemming geven voor anatomisch onderzoek. Dat stond sinds 1869 in de wet op het begraven. En het kon ook, want van ieder gevangene was genoteerd wie de ouders waren en met wie hij getrouwd was.”

Hadden de gevangenissen er wel belang bij om te wachten op toestemming van de familie?

„Ik ben net begonnen om de aantallen doden per gevangenis te vergelijken met de aantallen ingestuurde lichamen. Het deel van de overledenen dat naar de anatomie gaat, lijkt hoog. In Woerden in 1855 bijvoorbeeld waren het er 14 van de 16.

„Het was niet zo dat de hogescholen een premie betaalden voor lijken, zover ik kan overzien. Maar als het lichaam naar de universiteit ging, betaalde die wel de begrafenis.

„En dan was er nog het praktische aspect. Toestemming vragen ging per post. Wie zegt dat de nabestaanden, die vaak uit een simpel milieu kwamen, konden lezen en schrijven? En de tijd drong. Ik vond een verhaal over een lichaam dat in de zomer was teruggestuurd, omdat het te erg stonk.”