Hartverwarmende film On Body and Soul is winnaar van de Berlinale

Berlinale-filmfestival

Met 399 films is de Berlinale het grootste publieksfestival in Europa. Maar net als vorig jaar, was ook deze keer de lichting matig. Winnaar van de Gouden Beer On Body and Soul is wel een klein meesterwerk.

Actrice Julia Jentsch en Paul Verhoeven, leden van de vakjury, verschijnen in Berlijn op de rode loper. Foto Stefanie Loos/Reuters

Complimenten voor voorzitter Paul Verhoeven en zijn jury. De Gouden Beer van het Berlinale-filmfestival ging zaterdagavond naar de film die dat het meest verdiende: de Hongaarse romance On Body and Soul. Een klein meesterwerk, hoe gekunsteld de plot ook klinkt als je het opschrijft: introverte directeur van een Hongaars slachthuis valt voor autistische vleesinspectrice als zij elke nacht dezelfde droom blijken te delen: dat ze herten zijn in een winterbos.

Een ontroerende, betoverende film: regisseur Ildikó Enyedi zei na afloop nog steeds verbaasd te zijn dat ze hem gefinancierd had gekregen in het huidige ‘absurde, haast angstwekkende’ Hongarije. Een tweede lichtpuntje in de vrij matige competitie ging met de Juryprijs – tweede prijs – naar huis: Félicité van Alain Gomis. Een swingend, charmant sociaal-realistisch verhaal over een zangeres in Kinshasha die geld bijeen schraapt voor de operatie van haar zoon. Over de Alfred Bauer-prijs voor het Poolse Pokot van Agnieszka Holland waren de meningen verdeeld. Deze polemische ecothriller paart prachtige beelden aan een rommelscript waarin de patriarchale dorpsstructuur sneuvelt en ook de kerk in as wordt gelegd.

Verliezer van de avond was de Finse regisseur Aki Kaurismäki, die met The Other Side of Hope opnieuw een simpel verhaal vertelt over een Syrische asielzoeker die solidariteit vindt in een verlopen bar te Helsinki waar men ergens halverwege de jaren zestig is blijven steken. Een echte, ook wat voorspelbare Kaurismäki met Spartaanse decors, zwijgzame mannen, droogkomische humor en veel Finse tango en blues. Getipt voor de Gouden Beer, moest Kaurismäki zich zaterdag met de prijs voor beste regie behelpen, waarvoor de bezwete regisseur niet naar het podium van het Berlinale Palast kwam. Teleurstelling of gewoon dronkenschap? Dat Kaurismäki zijn Zilveren Beer als microfoon wilde gebruiken, suggereerde dat laatste. Want hij kreeg zijn prijs toen maar in de zaal uitgereikt, onder het motto: ‘als de man niet naar de beer komt, komt de beer naar de man.’

Zo eindigde deze 67ste editie van de Berlinale, met 399 films het grootste publieksfestival in Europa. De tweede matige lichting op rij: ook vorig jaar kon de competitie zich ondanks het sterke Fuocoammare en L’Avenir niet meten met de sterke lichting van 2015, toen de Berlinale hoogtepunten als Victoria, El Club, 45 Years en Taxi Teheran in huis had. De Berlinale kan nooit echt tippen aan het niveau van grote rivaal Cannes in mei; in 1977 werd het festival van juni naar februari verplaatst om de concurrentie beter aan te kunnen.

Met directeur Dieter Kosslick, aan het roer sinds 2001, vond de Berlinale een niche als politiek festival, tot de toon vorig jaar, toen de vluchtelingenkwestie speelde, wat al te belerend werd. Dit jaar onthield de Berlinale zich daarom, anders dan de sterren op de persconferenties, van grote statements tegen Trump of populisme. De selectie moest voor zich spreken. De openingsfilm was het sentimentele Django, waarin zigeuner-gitaarvirtuoos Django Reinhardt politiek bewust wordt als de nazi’s hem in 1943 voor hun karretje willen spannen.

Wel waren er dit jaar in Berlijn opvallend veel fragiele witte mannen in crisis te zien: de radeloze en werkloze vijftiger van het Portugese Colon (beste debuutfilm), de criticus die na zijn ontslag (‘maar ik ben een instituut!’) op strafexpeditie gaat tegen zijn hoofdredacteur (Wilde Maus), de Schotse junkies die in T2 Trainspotting zijn uitgegroeid tot sneue, boze mannen; zelfs Wolverine (Hugh Jackman) dwaalde in Logan als een oude, bitter grauwende superheld door een dystopisch Trumpland anno 2029. Georg Friedrich past in het rijtje: hij won de Zilveren Beer voor beste acteur als vader die in de Noorse natuur contact met zijn vervreemde zoon forceert in het saaie Helle Nächte.

Met Una Mujer Fantástica (beste scenario) had de Berlinale de jaarlijkse LGBT-kampioen: de Chileense transgender Marina houdt zich daarin dapper staande in een gure wind van vooroordeel, onbegrip en geweld als haar oudere minnaar plots overlijdt. Hartverwarmend, maar je beseft ook dat de transgender-survivalfilm bijna een genre is geworden. Het Roemeense Ana, Mon Amour tenslotte had iets meer verdiend dan de troostprijs van ‘beste artistieke prestatie’ voor montage : een warm observerende film over hoe verschuivende machtsverhoudingen een liefde kunnen ruïneren.