Opinie

Waarom het zo verleidelijk is om woedend te blijven

De parallellen tussen het boze personage uit de roman Ik heb altijd gelijk en Geert Wilders zijn opmerkelijk. De ommezwaai in de roman, meent , toont dat W.F. Hermans ondanks zijn cynische imago ook een geëngageerd schrijver is.

Toen ik laatst Ik heb altijd gelijk, Willem Frederik Hermans’ omstreden roman uit 1952 herlas, begon ik Geert Wilders pas echt te begrijpen.

Hoofdbezigheid van Lodewijk Stegman, Hermans’ personage, is om in het openbaar uitsluitend woedend te zijn (op iedereen, op alles). De roman laat zien waarom het zo aantrekkelijk is dit vol te houden, niet alleen voor de politieke leider die Stegman zelf wil worden, maar ook voor zijn aanhangers.

Ik heb altijd gelijk begint na de politionele acties in Nederlands-Indië, als een schip met repatriërende soldaten door de pieren van IJmuiden Nederland binnenvaart. Alsof „de kaken van een oorwurm” zich om het schip hebben gesloten. Hij zit in de val.

Nederland is voor hem: verzuiling, woningnood en algehele benepenheid. De dertigjarige Stegman heeft een even hartgrondige hekel aan zijn vaderland als aan zijn vader (en moeder en zuster). Zijn opvoeding heeft hem verstikt in een „sarrende gevangenis van elastiek”. Als hij braaf was en zijn best deed, voelde hij zich belachelijk; als hij rebelleerde kreeg hij de kous op zijn kop. Hij kon dus op geen enkele manier slagen en daarom slaat hij nu om zich heen.

Hij weet wat hij niet wil. En ook wat hij wel wil, namelijk niets. Wat hij ook zal doen, hij zal altijd ongelijk krijgen: dáárin heeft hij gelijk. De anderen hebben het gedaan, hoe dan ook. Stegmans frustratie uit zich in een woedende, politieke toespraak aan boord die chaos teweegbrengt en één dode tot gevolg heeft. Vanwege zijn demagogisch talent bombardeert men hem tot kopstuk van een nieuwe politieke partij: de Nederlandse Eenheidspartij (NEP), die tot doel heeft Nederland op te heffen en in Europa te laten opgaan. Het wordt een flop en Stegman keert ten lange leste terug naar zijn ouderlijk huis: om zijn diploma op te halen en een baantje te zoeken.

Beschaving wordt bepaald door het precaire evenwicht tussen wat men begeert en de verstandige omgang met die verlangens, schrijft Bas Heijne in zijn pamflet Onbehagen. Nieuw licht op de beschaafde mens. Lust versus realiteit. Volgens Heijne is dit evenwicht verstoord. De populist neemt er geen genoegen meer mee. Hij eist simpelweg dat de samenleving weer overzichtelijk wordt en wel meteen.

Als de realiteit de populist in de weg staat, ontkent hij haar. En als dat niet helpt, zal hij de realiteit nog eerder willen vernietigen dan voor de feiten te zwichten. Zo is de populist in de greep geraakt van wat Freud de doodsdrift noemde: de derde factor in de beschaving. Heine: „Soms wil men gewoon iets stukmaken.”

Studio NRC

Stegmans NEP lijkt op de PVV. De organisatie is duister en de oprichting gaat gepaard met geruzie en schandalen, vooral op financieel gebied. Intern amateurisme wordt afgedekt met een autoritaire presentatie naar buiten. Beide partijprogramma’s passen op één A-4’tje. Wilders gaat te keer tegen de elite van het ontzuilde Nederland. Na zestig jaar vrede en welvaart richt het hernieuwd nationalisme van de PVV zich tegen de EU (Weg ermee!). Stegman doet hetzelfde, maar dan omgekeerd: na het debacle van de Tweede Wereldoorlog en het verlies van Indië wil zij juist àf van Nederland met zijn verzuiling (Weg ermee!), dat moet opgaan in Europa.

Wilders kreeg twee keer een proces wegens belediging van een bevolkingsgroep. Hermans ook, zij het wegens belediging door een verzonnen persoon. Beiden werden vrijgesproken. Wilders ziet ‘nep-rechters’ en een ‘nep-parlement’. Aan het eind van de roman zegt Stegman: ‘Alle partijen in Nederland zijn nep!’

Stegman beleeft het steeds oprakelen van zijn traumatische jeugd als lust. Hij is ertoe veroordeeld zijn onvrede op peil te houden. Want wat als het zou blijken mee te vallen? Dan zou zijn woede als een boemerang hemzelf treffen. De parallel met Wilders ligt voor de hand. Hij móet boos blijven, want gesteld dat het meevalt? Daarom is Wilders waarschijnlijk zo beducht werkelijk aan de macht te komen. Waar moet zijn woede dan heen?

Via de NEP kan agitator Stegman zijn woede koelen op elke vorm van bestaand gezag. Maar zij verveelt hem als iets dat zelf gezaghebbend zou kunnen zijn. Hermans toont zijn onwil en onmacht om positief in de werkelijkheid in te grijpen. Maar op de laatste bladzijden laat hij Stegman toch de bocht nemen, zij het knarsetandend. Stegman doorziet dat de partij een zeepbel van rancune en leuterpraat is, en dat hij iedereen, inclusief zichzelf, voor de gek heeft gehouden. En schikt zich, ten slotte.

Het belangrijkste verschil is natuurlijk dat Lodewijk Stegman aan de touwtjes van een groot schrijver zit en Geert Wilders helaas niet. Hermans wordt niet moe te tonen hoe de dark side van de mens hem in conflict brengt met de werkelijkheid. Maar zelfs in zijn zwartste roman, zegt hij ook dat je met die frustratie iets moet dóen. Meedoen, hoe on-heroïsch het compromis ook mag zijn, dat daarvoor nodig is. Het toont – zoals Daan Rutten in zijn proefschrift De ernst van het spel (2016) al betoogde – dat Hermans ondanks zijn nihilistische reputatie ook een geëngageerd schrijver was.

Hoe doet Hermans dat, engagement zonder in moralisme te vervallen en zonder de roman zijn scepsis jegens Nederland te ontnemen? Hij verheerlijkt noch veroordeelt Stegmans woede. Hij beveelt diens ommezwaai niet aan. Maar biedt ons het volle zicht op de morele betekenis van Stegmans botsing met de werkelijkheid, een drama dat niemand natuurlijk precies zó beleefd heeft, maar de uitvergroting is van wat ieder van ons op de een of andere manier heeft ervaren of zal ervaren.

Stegmans woede wordt ondermijnd door de intelligentie waarmee hij zichzelf doorziet. In die zin redt Hermans hem. Wilders’ woede is van schokbeton, immuun voor zelfreflectie. In Ik heb altijd gelijk biedt Hermans de literaire uitvergroting van het narcistische drama, dat universeel is, maar naadloos in de actualiteit van 1952 is ingepast. Wilders voert dat drama in de werkelijkheid op; hij brengt alle verongelijkten in de waan dat hij hen naar Het Grote Gelijk zal voeren.

Hermans’ roman is sceptisch tegenover elk Gelijk, van wie ook, en daarom door en door democratisch. Wat hij in zijn roman verbeeldde, laat zich nu dan ook lezen als hoon jegens een anti-democraat als Wilders.

Impliciet. Want de kracht van de moderne roman is dat hij in een verbeelde wereld stof tot allerlei mogelijke oordelen opwerpt, maar zich nooit laat herleiden tot één standpunt of boodschap.