Commentaar

Taalcreativiteit

Alle dieren communiceren met elkaar. Dreigen is ook communiceren, tenslotte. Maar geen soort in de dierenwereld beschikt over zo’n excellent instrument om gedachten en handelen van soortgenoten te beïnvloeden als wij, de mensen. Dat instrument is natuurlijk: ‘taal’ in al haar complexiteit en soepelheid.

Misschien ligt de wortel van dat taalvermogen in de enorme drang tot communicatie die je al bij onmondige peuters ziet, misschien is het een cadeautje van een aangeboren grammaticamodule, maar een ding is zeker: overal waar mensen zijn hoor je gepraat. En meestal overal weer anders. De opkomst van de natiestaat heeft hier veel van die taaldiversiteit vernietigd. Tijdens de Franse revolutie waren de nationalisten oprecht onthutst door hun ontdekking dat toen maar drie van de 25 miljoen Fransen het nu algemene ‘Parijse Frans’ sprak. De rest sprak een of andere vorm van Occitaans, Corsicaans, Baskisch, Provençaals, Bourbonnais, Poitevin, Savoyard, Lorrain, Nederlands of Duits, enzovoorts. Geheel in de sfeer van Liberté, Égalité, Fraternité werden allicht al die talen ferm onderdrukt. Zo verging het in de afgelopen eeuwen de meeste landen. Pas nu de landstalen algemeen zijn, ontstaat weer wat eerbied voor die ‘dialecten’.

Maar mensen blijven hun eigen taal maken, ook al wordt die soms neerbuigend straattaal genoemd. Een schitterend voorbeeld van die taalcreativiteit beschrijft Berthold van Maris verderop in deze bijlage: hoe in het mijnwerkersdorpje Eijsden-Tuinwijk, net over de grens in België, de inwoners hun eigen taal ontwikkelden, met eigen grammatica en woorden. Géén gedegenereerd rommeltje samengesteld uit andere Europese talen, nee, dit is een echte taal, zoals alle andere. Zo gaat het al millennia en millennia. Als Eijsden-Tuinwijk in een andere tijd op de plek van Rome had gelegen, zou nu half Europa een vorm van Cité-Duits hebben gesproken.