Column

Populisme komt uit het midden

Wenen-correspondent Caroline de Gruyter schrijft over politiek en Europa.

In The Journal of Democracy stond in juli een interessant artikel onder de titel ‘The Deconsolidation of Politics’. Twee onderzoekers, Roberto Stefan Foa en Yascha Mounk, schrijven daarin dat burgers in liberale democratieën niet alleen steeds kritischer zijn over hun eigen leiders en steeds sceptischer zijn over de invloed die ze op het beleid hebben, maar ook dat ze steeds cynischer worden over de waarde van de democratie zelf. Steeds meer burgers zijn volgens Foa en Mounk „bereid om autoritaire alternatieven te steunen”.

Gevraagd hoe essentieel het is om in een democratie te leven, antwoordt bijna driekwart van de oudere Amerikanen en Europeanen die vóór de Tweede Wereldoorlog geboren zijn dat dit ‘heel belangrijk’ is. Als je hetzelfde aan ‘millennials’ vraagt, geboren tussen 1980 en 2000, hoor je iets heel anders. In Nederland zegt maar één op de drie in deze groep dat het ‘heel belangrijk’ is om in een democratie te leven. In Amerika is dat nog minder: rond 30 procent.

Jongeren hebben minder vertrouwen in instituties en politieke partijen dan ouderen. Democratie heeft voor hen minder ‘liberale’ lading. Zij hebben minder hoop dat ze het beleid kunnen beïnvloeden als ze politiek actief worden. De vrijheid van meningsuiting zegt jongeren minder dan ouderen.

Tot op zekere hoogte wisten we dit. Maar pikant is dat die meningen weinig te maken hebben met armoede of een leven in de marge. „De trend naar niet-democratische alternatieven is sterker onder jongere, rijkere burgers”, schrijven de auteurs. Zes procent van de rijkere jonge Amerikanen vond het in 1995 ‘goed’ als het leger het zou overnemen. Nu is dat 35 procent. In Europa steeg dit percentage onder rijkere jongeren in dezelfde tijdspanne van 6 naar 17 procent. Wat er onder ‘rijk’ wordt verstaan is onduidelijk. Maar de conclusie is zo helder als wat: „Groeiende steun voor een niet-liberale politiek zie je niet alleen onder machtelozen, ouderen en mensen met weinig werk.”

Lees ook de verkorte versie van de zevende Bronislaw Geremek-lezing die Europa-correspondent Caroline de Gruyter onlangs hield: Zorg dat Europa deze aanval te boven komt

Volgens een Ipsos-peiling in vijf grote EU-landen, van 6 februari, zijn de meeste burgers (behalve de Duitsers) bereid een sterke leider te steunen die „de spelregels wil veranderen”, omdat hun land „in verval” is. Onder hen: 80 procent van de Fransen en 68 procent van de Italianen. Ook hier gaat het om een veel bredere groep. De Neue Zürcher Zeitung had laatst een reportage over keurige Italiaanse middenklassers: advocaten, leraren, journalisten, kleine middenstanders. Allen zeiden dat alles minder wordt en dat ze de toekomst vrezen.

Dit is voer voor revoluties. Die komen altijd uit de middenklasse. De Franse revolutie, de Russische revolutie en zelfs de islamitische: de meeste zelfmoordenaars van Hamas in Israël waren geen desperado’s maar ingenieurs met Apple-computers en racefietsen, die wisten wat ze deden.

Lees ook het boek Political Man van de Amerikaanse socioloog Martin Lipset, uit 1959. Fascisme, schrijft hij, kwam in de jaren dertig niet van rechts of links, maar uit het politieke midden. „De fascistische ideologie is antiliberaal in zijn verheerlijking van de staat, maar vertoont overeenkomsten met liberalisme in zijn verzet tegen big business, vakbonden en de socialistische staat.” Kijk naar Amerika. Looks familiar?

Liberalisme en individualisme zijn middenklasseverschijnselen. Als die verdampen, neemt populisme vaak hun plaats in. Populisme, constateert Lipset, komt altijd voort uit de middenklasse. Fascisme is populisme in extreme vorm. Het is middenklasse-extremisme.

Een paar verkiezingen gaan dit jaar de koers van Europa bepalen. Als integere, liberale politici één historische les moeten trekken, is het wel deze: ontferm je over het midden. Sommige doen dat, gelukkig. Als je het populisten laat doen, kan dat slecht aflopen.