Jannis Kounellis, pionier van de arte povera

Jannis Kounellis 1936-2017

Als lid van de beweging arte povera begon Jannis Kounellis in de jaren zestig met alledaagse materialen kunst te maken. Zijn sculpturen van hout, staal en jute zijn nu in alle grote musea te zien.

Jannis Kounellis Foto EPA/ Gero Breloer

Twaalf etende, schijtende, pissende, dampende paarden, met touwen vastgebonden aan ringen in de muur, hun hoeven schrapend over de glimmende tegelvloer. Dat was in 1969 het kunstwerk waarmee de Griekse kunstenaar Jannis Kounellis zijn doorbraak had in l’Attico, een galerie in Rome. Hij liet er in één klap mee zien dat kunst alles kon zijn, en alles kunst kon zijn. Zolang het beeld maar een intensiteit had die het onderscheidde van het alledaagse leven. De paardenperformance maakte zo’n indruk dat het werk in de afgelopen halve eeuw diverse keren opnieuw werd opgevoerd, het recentst nog in de New Yorkse galerie Gavin Brown’s Enterprise in 2015.

Kounellis toonde aan dat je met de eenvoudigste materialen kunst kon maken. Van juten zakken, strengen wol, koffie, katoen, afvalhout of steenkool bouwde hij robuuste sculpturen. Dat maakte hem tot een van de pioniers van de arte povera, de Italiaanse kunststroming die eind jaren zestig de hedendaagse kunstwereld domineerde. Zijn gebruik van containers, touwen, loden platen en scheepswrakken herinnerde aan zijn jeugd in de Griekse havenstad Piraeus, die hij op zijn twintigste had verlaten om in Rome aan de kunstacademie te studeren. Kounellis zou Rome zijn leven lang trouw blijven. Hij overleed er donderdag in een ziekenhuis, tachtig jaar oud.

Zijn vroegste schilderijen bestonden uit gestencilde woorden en tekens, die hij tijdens exposities als zangpartituren gebruikte. Ook schilderde hij in de vroege jaren zestig op kranten, om zo zijn gevoelens over de wereld om hem heen te uiten.

Kounellis wilde kunstwerken maken die vol waren van leven, en die alle zintuigen van de toeschouwer aanspraken. Daarom verwerkte hij vaak planten en dieren in zijn werken, exposeerde hij vogels in kooitjes of kwam hij te paard zijn tentoonstelling binnen rijden. Veel van zijn sculpturen verspreidden een intense geur van steenkool, teer of nat hout. Maar ook muziek speelde vaak een grote rol in zijn werk. Soms liet hij dansers of violisten bij zijn tentoonstellingen optreden, of speelde hij zelf piano. Het maakt hem ook tot een vroege vertegenwoordiger van performancekunst. Nu kijken museumbezoekers niet meer op van dansers of muzikanten, in de jaren zestig was dat nog onontgonnen terrein.

Griekse wortels

Kounellis’ beeldtaal was vaak duister, zwaar, theatraal. Hij takelde meubels aan touwen in de ruimte, spieste zwarte jassen aan kapstokken van vleesmessen, hing ijzeren balken op aan vleeshaken en maakte schilderijen in tinten van diepgrijs tot loodzwart. Vilten dekens omwikkelde hij met touwen, waardoor de associatie met ingepakte lijken werd opgeroepen. Of hij omwikkelde de bielzen van een stuk spoorrails, zodat je onherroepelijk aan de transporten naar concentratiekampen moest denken. Zo baanbrekend als Kounellis’ werk was, het greep ook altijd terug op de geschiedenis, op zijn Griekse wortels, de bakermat van de menselijke beschaving. „Tussen de brokstukken zoek ik naar de restanten van de geschiedenis”, zei hij daarover.

In 1969 deed Kounellis mee aan twee legendarische tentoonstellingen, When attitudes become form in de Kunsthalle Bern en Op losse schroeven in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Op beide exposities braken de deelnemende kunstenaars vrijwel letterlijk de museumzalen af met hun anarchistische ingrepen en conceptuele statements. Voor het eerst werden daar jonge kunstenaars uit Amerika en Europa bijeengebracht die ter plekke werk maakten. Ook daarmee was Kounellis zijn tijd ver vooruit.

Drie keer werd Kounellis uitgenodigd voor de belangrijkste internationale kunstmanifestatie, de Documenta in Kassel – in 1972, 1977 en 1982. De zevende editie van de Documenta, in 1982, werd georganiseerd door de Nederlandse curator Rudi Fuchs, die een groot pleitbezorger werd van Kounellis’ kunst en hem in 1981 uitnodigde voor een solotentoonstelling in het Van Abbemuseum.

In 1972 nam Kounellis voor het eerst deel aan de Biënnale van Venetië, in de jaren die volgden was hij daar een regelmatige exposant. In 2011 was zijn werk er nog te zien, op de eerste presentatie van Vaticaanstad. Zijn beelden zijn intussen door alle grote musea verzameld, van het Guggenheim en het MoMA in New York tot Tate Modern in Londen en het Centre Pompidou in Parijs.