Recensie

‘Hostages’: de krachtigste film in Berlijn

Filmfestival Berlijn

De Georgische speelfilm ‘Hostages’ wekt empathie voor de kapers die in 1983 een vliegtuig kaapten om naar het Westen te vluchten. Maar voor het Nederlandse arthouse-publiek is hij misschien te heftig.

Foto Dina Oganova

Waarom zetten zeven bevoorrechte Georgische jongeren een vliegtuigkaping op touw die op een bloedbad uitdraait? Was het de utopie van het vrije westen die ze trok, of wilden ze ontsnappen aan het verstikkende Sovjet-Unie anno 1983, in de greep van starre bejaarden en een muffe ideologie waarin niemand echt geloofde?

Vooral dat laatste, vermoedt de Georgische regisseur Rezo Gigineishvili, die met Hostages de krachtigste films op de Berlinale aflevert. Elke analogie met jonge moslims die op jihad gaan, verwerpt hij. „Natuurlijk was het Westen voor ons het paradijs. Als je een Playboy doorbladerde, een topartikel op de zwarte markt, dan droomde je van een vrijer, beter leven.” Een onschuldiger ideaal vergeleken met het kalifaat van IS, dat „puur kwaad belichaamt”.

Hostages heeft nog geen Nederlandse distributeur: de film is nogal heftig voor het arthousepubliek maar speelt zich af in een andere wereld, een andere tijd. Doodzonde, want het is een intense, rauwe en dieptragische film over zeven jonge mensen die onder het mom van een huwelijksreis een Toepolov-134 probeerden te kapen. Resultaat was een chaotische schietpartij, waarna de piloot zijn vliegtuig terug naar Tbilisi wist te manoeuvreren. Daar beschoten soldaten in paniek het landende toestel en volgde na aanzetjes tot onderhandeling een bestorming door spetsnaz-troepen. Drie passagiers, twee bemanningsleden en drie kapers kwamen om, de Toepolev werd doorzeefd met 108 kogels.

Claustrofobische cinematografie

In een showproces werden drie overlevende kapers vlot ter dood veroordeeld - en ook hun biechtvader, die van niets wist. Hersenspoeling door de kerk was nuttige fictie, want alle kapers bleken kinderen van de communistische elite: artsen, studenten aan de kunstacademie en zelfs een gevierd tv-acteur, Gega Kobakhidze. „Ze hadden alles”, luidde het verbaasde refrein. Dat maakte hun daad des te alarmerender voor Moskou: om zijn loyaliteit te bewijzen, eiste de Georgische partijleider Edoeard Sjevardnadze de kogel voor deze „bandieten en drugsgebruikers”. Na hun executie in 1984 werden de drie op een geheime locatie begraven.

Regisseur Gigineishvili, zelf zoon van de directeur van de beroemde heilbaden van Borjomi, viel indertijd op hoe iedereen meeleefde met actrice Natela Machavariana, de moeder van een van de kapers – zij heeft een rol in zijn film. Dit hadden onze kinderen kunnen zijn. In 1991, toen Georgië onafhankelijk werd, werd er tevergeefs naar hun graven gezocht. Gigineishvili: „In de ogen van veel nationalisten waren zij nu helden, verzetsstrijders.”

Zo niet in Hostages: daar zijn het blunderende amateurterroristen die de gevolgen van hun daden totaal niet overzien. Naast zijn gruizige, claustrofobische cinematografie imponeert dat nog het meest in Hostages: de empathie die je voelt voor alle betrokken: kapers, ouders, bemanning, militairen, bureaucraten. Dat is film op zijn best: een empathie-machine.