Hoe net over de grens razendsnel een unieke taal ontstond

Taalkunde

In een Belgisch stadje net over de Nederlandse grens ontstond in twee generaties een heel eigen taal – met dank aan de mijnen. Een ontmoeting met de laatste sprekers van het Cité-Duits, dat nog maar net is ontdekt.

Sprekers van Cité-Duits in het Belgische Eisden met van links naar rechts: Laslo Decsi, Jef Hay, Tom Gendera, Oldrich Kottas en Jan Kohlbacher. Foto’s Chris Keulen

Een kleine delegatie Nederlandse taalkundigen was op bezoek bij zeventig-plussers in Eisden-Tuinwijk, een voormalig mijnwerkersstadje in Belgisch Limburg, een paar jaar geleden. Toen ze weer vertrokken waren, vroeg Jan Kohlbacher, een inwoner van Tuindorp, aan een andere inwoner wat hij ervan vond. Die zei: „Sjöne meedjes, aba iech hab kein klote vasjtande.” Mooie meisjes, maar ik heb er geen moer van begrepen.

In Eisden-Tuinwijk spreken ze een eigen taalvariant, die op het Duits lijkt, maar geen Duits is. Precies daarom waren de taalkundigen – Leonie Cornips en een paar studenten van haar – op bezoek gekomen. Tot dan toe had niemand ooit van deze taalvariant gehoord. Cornips had de Eisden-Tuinwijkers uitgelegd waarom ze het zo bijzonder vond, maar sommige inwoners van Tuinwijk ging dat blijkbaar boven de pet.

Het gebeurt niet ieder dag dat in het Nederlandstalige gebied een ‘nieuwe taal’ ontdekt wordt. De voormalige mijnwerkers noemen hun stadje ‘de Cité’ en de taalvariant die ze onder elkaar spreken ‘Cité-Duits’. Het is een soort gebroken Duits met veel Nederlands en Limburgs erin, maar ook woorden uit andere talen die vroeger in het mijnwerkersstadje gesproken werden: Frans, Italiaans, Pools… En, nog opmerkelijker, deze mix van talen heeft in grammaticaal opzicht een eigen wil: eigen grammaticale regels die niet zijn te herleiden tot de regels van het Duits of het Nederlands.

Cité-Duits is hybride taal, vol Pools en Frans

De man die het Cité-Duits in brede kring onder de aandacht heeft gebracht is de al eerder genoemde Jan Kohlbacher, die inmiddels 80 jaar oud is. Hij groeide op in de Cité. Anders dan de meeste leeftijdgenoten aldaar, ging hij niet de mijn in, maar naar de kweekschool. Daarna werd hij schoolmeester in de Cité.

Bekijk hier het filmpje waarin taalkundige Nantke Pecht laat zien hoe ze onderzoek doet in Eisden

Kohlbacher is een gemoedelijke en spraakzame man. Hij geeft voorbeeldzinnen om te laten zien hoe hybride dat Cité-Duits is. ‘Dè porion hat miech ein viefde gegebe.’ De opzichter heeft mij een boete gegeven. ‘Porion’ komt uit het Frans. ‘Viefde’ is Limburgs: een boete in de mijn werd een ‘viefde’ genoemd omdat het een-vijfde van het dagloon was. Het lidwoordje ‘dè’ is ook opmerkelijk: dat zit tussen het Duitse ‘der’ en het Nederlandse ‘de’ in.

Kohlbacher geeft ook een voorbeeldzin over dennenappels, die vroeger in de kachels gebruikt werden. De kinderen werden het bos in gestuurd om dennenappels te verzamelen. Ze zeiden dan tegen elkaar: ‘Gehs’ mit nach busch sjieskies rafe?’ Ga je mee naar het bos dennenappels rapen? ‘Sjieskies’ is Pools, ‘busch’ en ‘rafe’ is Limburgs. Wat verder opvalt is het ontbreken van een lidwoord in ‘nach busch’ (naar het bos).

Dit wonderlijke Cité-Duits heeft zich binnen twee generaties ontwikkeld, tussen 1920 en 1960, in de periode dat de mijn op volle toeren draaide. Als de omstandigheden ernaar zijn, kan het hard gaan met zo’n nieuwe taalvariant.

Wie wil begrijpen waarom juist in deze ‘Cité’ zoiets ontstaan is, zou er twee uurtjes moeten rondwandelen. Het is een charmante woonwijk, die een eeuw geleden gebouwd werd. Mooie lanen, waarlangs aardige, Engels aandoende vrijstaande huizen gebouwd zijn, met flinke tuinen erbij – ontworpen naar het voorbeeld van de Engelse tuinsteden. Zeker voor Belgische begrippen is het strak en planmatig aangelegd. Met een eigen kerk – die de afmetingen heeft van een kathedraal – eigen schooltjes, een eigen winkel, een eigen feestzaal. Allemaal gebouwd vanuit de gedachte dat het onaantrekkelijke werk in de mijn aantrekkelijk gemaakt moest worden voor de mijnwerkers die uit het buitenland hierheen gehaald werden.

Beelden uit Eisden, een Belgisch stadje op enkele kilometer van de Nederlandse grens.
Chris Keulen
Beelden uit Eisden, een Belgisch stadje dichtbij de Nederlandse grens.
Chris Keulen

De Cité ligt vrij geïsoleerd, met aan de ene kant de Maas (tevens grens met Nederland) en aan de andere kant een uitgestrekt bosgebied. Langs de weg die de Cité verbindt met het nabijgelegen dorp Eisden stond vroeger een bord ‘route privée’. En eigenlijk was bijna alles in de Cité eigendom van de mijnbouwonderneming. Jan Kohlbacher: „De bewoners hoefden de Cité niet uit. De mijn zorgde voor alles, en de mijn bepaalde.”

De mijnwerkers werden vooral uit Midden-Europa hierheen gehaald. Uit de landen die de Eerste Wereldoorlog verloren hadden, zegt Kohlbacher. Slovenen, Hongaren, Oostenrijkers, Tsjechen, Polen… „Bijna allemaal immigranten uit het voormalige Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk. Die hadden allemaal, actief of latent, het Duits in hun oren. Al was het maar het beetje Duits dat je in het leger moest kennen. Al die verschillende soorten Duits, die restanten Duits of, als het hun moedertaal was, het echte Duits, brachten ze mee naar hier en dat werd tussen die verschillende groepen het middel om met elkaar te communiceren.”

De mijnwerkers gingen onder elkaar een soort Duits spreken dat ze allemaal begrepen en hun kinderen, onder wie Jan Kohlbacher, namen dat over.

Cité-Duits werd groepstaal van de jongens op straat

Luister zelf hoe deze unieke taal klinkt

Kohlbacher zat in de jaren veertig op de lagere school. Op het schoolplein spraken de jongens bij voorkeur dat Duits-achtige taaltje. „Zo stilaan groeide dat uit tot een groepstaal, vooral bij de jongens, want die waren meer op straat. Ze praatten erin en ook clubliederen van de voetbalclub gingen in dat Duits gezongen worden. Te midden van het Limburgs, de taal van de omliggende dorpen, en het Frans, de officiële taal in de mijn, ging dat ‘Cité-Duits’ een eigen leven leiden.”

Het was voor die jongens ook een beetje stoer om zo te praten. „Naar Eisden gaan en dan Cité-Duits spreken, dat was natuurlijk prachtig, want dan konden ze je niet verstaan. In de dorpen om ons heen vonden ze die Cité maar niks. Ze beschouwden ons als buitenlanders, als vreemd. En wij van onze kant voelden ons ook beter. Wij hadden betere huizen, meer voorzieningen.”

De jongens – en een paar meisjes met veel broers – hebben het Cité-Duits onder elkaar verder ontwikkeld. „We hebben veel woorden van elkaar overgenomen. Kinderen leren vlug. Vaak is het de jongen met de grootste mond die door de andere kinderen wordt nageaapt.”

Kohlbacher herinnert zich dat ze tijdens de Tweede Wereldoorlog een Amerikaans verkenningsvliegtuigje zagen en dat een Poolse jongen dat toen een ‘pasjakonnik’ noemde. „Vanaf dat ogenblik werd ieder vliegtuigje door ons een pasjakonnik genoemd. En toen we de eerste helikopter zagen, dachten we dat dat ook een pasjakonnik was.” Pas veel later kwam hij erachter dat pasjakonnik het Poolse woord is voor sprinkhaan.

Nog maar kleine groep mannen spreekt de taal

Vanaf de jaren zestig veranderde er veel in de Cité. Veel gezinnen trokken weg. En toen de mijn in 1987 sloot, viel de mijnwerkersgemeenschap definitief uiteen. Vandaar dat er nooit een derde generatie is geweest die met het Cité-Duits aan de slag ging. Er is nu nog maar een klein groepje mannen over dat deze wonderlijke taalvariant spreekt. Enige tientallen. Allemaal ouder dan zeventig jaar. Ze gebruiken het onder elkaar als een soort dialect. Al deze mensen spreken ook Nederlands en meestal nog een andere moedertaal – Jan Kohlbacher spreekt bijvoorbeeld ook Oostenrijks-Duits.

Hoeveel mensen hebben het Cité-Duits ooit gesproken? Een paar duizend, schat Kohlbacher. In de hoogtijdagen van de mijn woonden er achthonderd gezinnen in de Cité. Kohlbacher denkt dat in minstens twee-derde daarvan de jongens (later mannen) het Cité-Duits beheersten.

Net toen dit taalverschijnsel al weer bijna verdwenen was, werd het opgemerkt door Leonie Cornips van de Universiteit van Maastricht. Zij heeft in 2012 en 2013 een heleboel spontane gesprekken in het Cité-Duits laten opnemen, en is nu bezig om dat samen met promovenda Nantke Pecht te analyseren.

Kohlbacher noemt het zelf geen ‘taal’, maar een ‘manier van praten’. „Als we ergens geen woord voor hebben in het Cité-Duits, gebruiken we gewoon het Nederlandse woord”, zegt hij. „Er is geen grammatica. Iedereen heeft zijn eigen regels.”

Foto Chris Keulen
Beelden uit Eisden
Chris Keulen

Taal zit vol grammaticale eigenheden

Dus iedereen doet maar wat? Nou, dat valt wel mee. Want dat is de grote verrassing van de eerste grammaticale analyses: er zit meer grammaticale eigenzinnigheid in dan je zou verwachten.

Het bepalende lidwoord bijvoorbeeld. Het Nederlands heeft ‘de’ en ‘het’, het Duits ‘der’, ‘die’, ‘das’, ‘dem’, ‘den’ en ‘des’. In het Cité-Duits is het meestal ‘dè’ voor het enkelvoud, en ‘die’ voor het meervoud: ‘dè fiets’, ‘dè foto’, ‘dè wasser’ (het water), ‘dè brood’ (het brood), ‘die meedjes’ (de meisjes), ‘die amerikäners’, ‘die engländers’, ‘die fransösers’.

Of eigenlijk zit het zo: in negentig procent van de gevallen is het ‘dè’ en ‘die’. Het is dus grammaticaal nog in ontwikkeling. De ontwikkeling naar een vereenvoudiging van het Duitse (of Nederlandse) systeem is al wel begonnen maar nooit helemaal afgerond.

Ook de woordvolgorde is anders. Er worden dingen gezegd als „Ich wuss wohl dat er konnt singe gut” en „Und darna Vitouch ging auf pension”. Dat het in die laatste zin niet „Und darna ging Vitouch auf pension” is, kun je ook zien als een grammaticale vereenvoudiging.

Cité-Duits doet denken aan talen bij Amazone

Voor taalkundigen is dit smullen. Het doet denken aan wat er tot voor kort op grote schaal gebeurde in Nieuw-Guinea, Australië of het Amazonegebied. Ook daar werden de vermeende verschillen tussen naburige groepen sterk benadrukt door het cultiveren van afwijkende taalvarianten, waardoor er telkens weer nieuwe talen ontstaan zijn, die eerst groepstalen waren en daarna ‘echte’ talen.

Het vermoeden is dat het tienduizend jaar geleden, vóór de intrede van de landbouw, overal zo ging. Toen waren er eigenlijk alleen maar groepstalen, met hooguit een paar duizend sprekers.