Recensie

Haitink ontroert bij comeback in het Concertgebouw

De 87-jarige dirigent werd na zijn rentree in Amsterdam bevorderd tot Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Dat Bernard Haitink terugkeerde bij het orkest is een klein mirakel. Foto Mladen Pikulic

Het was niet de eerste keer dat Bernard Haitink terugkeerde bij het Concertgebouworkest, maar deze rentree had een gouden randje. Na het concert werd Haitink donderdagavond in de Spiegelzaal van het Concertgebouw bevorderd tot Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw. De dirigent ontving deze hoge en zelden toegekende onderscheiding wegens zijn ‘buitengewone bekwaamheid’ en ‘bijzondere verdiensten van zeer exceptionele aard voor de samenleving’.

Drie jaar geleden nog zei Haitink het Concertgebouworkest nooit meer te zullen dirigeren. Hij verweet het orkestmanagement als voormalig chef-dirigent ‘totaal genegeerd’ te zijn bij de viering van het 125-jarig jubileum in 2013. Na de beëindiging van zijn chefschap in 1988 stond Haitink vaker lange tijd niet voor de Amsterdammers, maar dit keer leek de breuk definitief.

Dat Haitink enkele weken voor zijn 88e verjaardag toch is teruggekeerd bij het orkest is een klein mirakel, en vooral een bijzonder heuglijk feit. Dat werd erkend met aanzwellend applaus van de stampvolle grote zaal toen hij het podium betrad – veilig vanaf de zijkant, de lange trap meed hij liever.

Voor zijn zelf samengestelde, zeer geslaagde comeback-programma koos Haitink voor twee uitersten waarin hij excelleert. De lichte, vluchtige droombeelden van Debussy’s Prelude à l’après-midi d’un faune en Drie nocturnes vormden voor de pauze een vierluik dat het gewichtige mysterie van Bruckners Zevende symfonie verrassend spiegelde. Alsof hij die indruk van een Debussy-symfonie wilde bevestigen bleef Haitink na de prelude op de bok zitten en gaf hij de partituur af aan solocellist Gregor Horsch.

Haitink heeft de Zevende symfonie van Bruckner vaker gedirigeerd dan veel liefhebbers er een cd van hebben gedraaid. Maar van routineus dirigeren was geen sprake. Vanaf het openingstempo was Haitinks stempel onmiskenbaar. Karakteristiek gedurfd wist hij de vertraging in volle galop even later op te rekken tot ze bijna instortte. Het was technisch gezien zeker niet Haitinks beste Amsterdamse Zevende – alleen al zijn heel verschillende opnames uit 1966 en 1978 zijn moeilijk te overtreffen. Maar het soepele naturel van het tempo, de superieure greep op de architectuur en vooral de urgentie van het collectieve musiceren tilden de uitvoering naar het hoogste niveau. En het was naar alle waarschijnlijkheid wél zijn laatste.

De opbouw naar de climax van het adagio – mét bekkenslag en triangel – was formidabel. De treurmuziek daarna klonk schor en zeldzaam doorvoeld. Het was ontroerend om de frêle Haitink vervolgens met kordate handbeweginkjes het scherzo te zien aanvuren, dat barstte van strijdbare levenslust.