Opinie

Geef lager opgeleiden ook macht en invloed

Je afkomst bepaalt niet meer of je naar de universiteit mag. Intelligentie, een erfelijke eigenschap, is nu de beperkende factor. De tweedeling die daardoor ontstaat is een democratie net zo goed onwaardig, meent . Hij ziet een oplossing.

illustratie hajo

Eén van de eigenaardigheden van deze tijd is dat het soms lijkt alsof je in een toekomstroman bent beland. Niet dat Frankrijk al een islamitische republiek is, zoals Michel Houellebecq in Soumission (2015) voorzag. Maar als je het boek leest, wordt dat scenario op een aannemelijke wijze gerealiseerd. En in Amerika lijkt het ministerie van de Waarheid zoals George Orwell dat in Nineteen Eighty-Four (1949) beschreef al volop actief: Ignorance is strength! En het motto America First, dat we kenden uit The plot against America (2004) van Philip Roth, is nu de echte slagzin van de reëel bestaande president van Amerika.

Opeens besef je wat een krachtig middel de verbeelding is. Romans als deze attenderen je op de mogelijkheid dat de geschiedenis ook een andere richting in kan slaan, en ze laten zien hoe onmerkbaar dat in het begin vaak gaat.

Dat alles geldt ook voor The Rise of the Meritocracy, een boek uit 1956 van de Britse socioloog Michael Young (1915-2002). Maar in tegenstelling tot de meeste andere toekomstromans is de fictie van dat boek al grotendeels werkelijkheid geworden. Young beschrijft een samenleving waar een nieuw type maatschappelijke ongelijkheid zijn intrede doet: die tussen mensen met veel en mensen met minder opleiding. Niet meer je milieu van herkomst is bepalend voor je maatschappelijk succes, maar je schoolprestaties.

Dat lijkt een verbetering, en in veel opzichten is dat het ook, maar Young laat helder zien dat er nare kanten aan die nieuwe ordening zitten. Want intelligentie is grotendeels aangeboren – en hoe zou je een samenleving waarin geërfde eigenschappen zo gul worden beloond een democratie kunnen noemen?

Van ouderwetse standenmaatschappij naar meritocratie

Het boek van Young heeft de vorm van een sociologisch rapport uit 2034 waarin wordt onderzocht hoe het kon gebeuren dat Engeland een jaar daarvoor werd geteisterd door een golf van sociale onrust. Stakingen, opstootjes, een moordaanslag op een vakbondsleider en de bestorming van het ministerie van Onderwijs. Wat was er misgegaan? Young gaat terug in de geschiedenis en beschrijft hoe de ouderwetse standenmaatschappij zich in de twintigste eeuw ontwikkelde tot een samenleving waarin het beginsel van de ‘meritocratie’ heerste: niet afkomst of bezit telde voor de positie die de burgers innamen, maar de eigen capaciteiten, vooral intelligentie. Dat was niet alleen rechtvaardiger, vond men, het was ook doelmatiger. In de internationale competitie kon een land zich niet veroorloven talent verloren te laten gaan.

Kinderen werden daarom op een vroege leeftijd getest en naar intelligentie verdeeld over verschillende scholen. In het begin van de eenentwintigste eeuw was dit stelsel zo goed als voltooid: het eenvoudige werk werd door laag opgeleide, domme mensen gedaan en voor het werk op topniveau waren zorgvuldig geselecteerde en hoog opgeleide managers en geleerden beschikbaar. Toen werd ontdekt dat intelligentie in hoge mate erfelijk was, werden er huwelijken tussen mensen met hetzelfde IQ gearrangeerd.

De leden van de afgeroomde onderklasse berustten in hun lot, want hoe het anders zou moeten wisten ze niet. Uiteindelijk liep het toch mis. Geleid door intelligente vrouwen kwamen de arbeiders in opstand en als Young zijn relaas heeft voltooid weet hij nog niet wat de toekomst zal brengen. (Een kort naschrift van de uitgever meldt dat de schrijver in 2034 om het leven kwam bij rellen tijdens de eerste herdenking van de opstand.)

Het boek van Young werd klassiek. Meritocratie, zijn vondst, werd een begrip dat nog steeds wordt gebruikt ter karakterisering van een samenleving met gelijke onderwijskansen en waar de eigen verdiensten bepalend zijn voor sociaal en economisch succes.

De kansen voor een slim kind uit een arbeidersmilieu waren nog nooit zo goed

In veel opzichten zou je Nederland een meritocratie kunnen noemen. De doorstroming van de lagere sociaal-economische klassen in het onderwijs is niet perfect, maar de kansen voor een slim kind uit een arbeidersmilieu zijn nog nooit zo goed geweest. In de politiek, de wetenschap en het culturele leven is afkomst nauwelijks nog van belang en geven talent en deskundigheid steeds vaker de doorslag. Het bedrijfsleven is nog niet zover – een achternaam die een migranten-achtergrond verraadt is bij een sollicitatie vaak een belemmering. Maar ook daar zullen capaciteiten uiteindelijk sterker blijken dan discriminatie.

Tegelijkertijd worden ook de schaduwkanten van de meritocratisering zichtbaar – en dat is waar Young voor wilde waarschuwen. Niet iedereen heeft de capaciteiten die nodig zijn in het hoger onderwijs. Hoog opgeleid is in Nederland slechts een derde van de beroepsbevolking. Dat deel heeft in alle opzichten een beter leven dan de rest. Niet alleen verdienen hoog opgeleiden veel meer, ze zijn ook gezonder en ze leven gemiddeld zeven jaar langer.

Hoog opgeleiden hebben nog iets waarin ze van laag- en middelbaar opgeleiden afwijken: ze zijn meer in politiek geïnteresseerd, ze verwachten meer van de politiek en zijn politiek veel actiever. De bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille laten in hun boek Diplomademocratie (2011) overtuigend zien dat meritocratie en democratie op gespannen voet met elkaar staan: de opvattingen van laag opgeleiden worden in het politieke debat nauwelijks tot uitdrukking gebracht. De samenstelling van de Tweede Kamer is veelzeggend. Bovens becijferde onlangs dat drie procent van de huidige Kamerleden geen hoger beroepsonderwijs of universiteit heeft gevolgd – een groot verschil met de bevolking die ze vertegenwoordigen, daar geldt dat voor zeventig procent.

Nu hoeft dat geen probleem zijn als hoog- en laag opgeleiden over belangrijke kwesties ongeveer hetzelfde denken. Maar dat is niet zo. Over immigratie, gezondheidszorg, criminaliteit, Europa en inkomens denken hoog- en laag opgeleiden anders, en binnen grote partijen geldt dat gekozenen liberaler zijn dan de mensen die op hen stemden. Resultaat is dat laag opgeleiden zich niet goed vertegenwoordigd voelen, cynischer en wantrouwender worden en ertoe neigen dan maar niet te gaan stemmen.

Daarmee zijn we beland bij een ernstig democratisch tekort: de kloof tussen een invloedrijke, hoog opgeleide minderheid, en de meerderheid die veel lager is opgeleid en een veel slechtere toegang heeft tot de macht. De voorspelling van Young dat lager opgeleiden in opstand zouden komen is niet geheel uitgekomen. En het waren geen radicale feministen, maar populistische partijen die zich over de massa hebben ontfermd. Ze zijn erin geslaagd het woord ‘elite’ een zeer ongunstige bijbetekenis mee te geven.

Er is ook hier een schaduwzijde

De tegenstelling tussen hoog- en laag opgeleiden is niet het enige probleem van de Nederlandse samenleving, maar veel andere kwesties zijn er op terug te voeren, zoals gezondheidsproblemen, slechte huisvesting en armoede. De schadelijke bijeffecten van de meritocratische kloof worden bovendien verscherpt doordat mensen steeds vaker trouwen met partners uit dezelfde opleidingsklasse. Eén van de aspecten van de meritocratisering van de samenleving is dat meisjes nu dezelfde opleidingkansen hebben als jongens en het gevolg is tamelijk spectaculair: vrouwen onder de 45 jaar zijn tegenwoordig vaker hoog opgeleid dan hun mannelijke leeftijdsgenoten. Een gevolg van het feit dat meisjes beter hun best doen en op jonge leeftijd vaak net iets slimmer zijn.

Dat betekent dat er voor de jonge hoog opgeleide vrouw of man een brede keuze is uit eveneens hoog opgeleide huwelijkspartners – een groot verschil met de situatie van enkele tientallen jaren geleden toen hoog opgeleide mannen veel vaker met laag opgeleide vrouwen trouwden. En terwijl je iedereen een gelijkgestemde partner gunt, is ook hier een schaduwzijde: de tweedeling neemt toe, en dat effect wordt nog versterkt doordat de kinderen die uit die verbintenissen worden geboren het zowel qua aanleg als omgeving veel beter treffen dan de kinderen van laag opgeleide ouders.

Meritocratie en democratie laten zich dus steeds moeilijker met elkaar verenigen. Tegelijk is het onmogelijk de geschiedenis terug te draaien of om te kiezen voor het ene of het andere stelsel. We zijn aan beide overgeleverd en er zit niets anders op dan de paradox te aanvaarden en te proberen de meest schrijnende kanten te verzachten. De fronten waarop de strijd gevoerd moet worden liggen voor de hand: het onderwijs en de politiek.

Eerst het onderwijs. Het heeft weinig zin te streven naar een samenleving waarin iedereen op het hbo of de universiteit heeft gezeten. Intelligentie is nu eenmaal ongelijk verdeeld en hoe toegankelijker je het hoger onderwijs maakt, des te minder waard zullen de diploma’s worden.

Wel kan het basis- en voortgezet onderwijs beter. Wie prijs stelt op betrokken burgers, moet daar beginnen. De vroege schooltijd is niet alleen de periode waarin mensen een ongelooflijke hoeveelheid kennis kunnen opslaan, het is ook de enige tijd waarin alle lagen van de bevolking nog bijeen zijn. Er is nog steeds talent dat niet ontdekt wordt of zich niet kan ontplooien. Elke Nederlander weet dat kleinere klassen en beter betaalde leraren veel problemen kunnen oplossen en getuige de recente verkiezingsbeloften wordt dat inzicht nu ook door politici gedeeld.

In die kleinere klassen kan ook beter uitgelegd worden hoe een democratie werkt. Het onlangs verschenen rapport van de Onderwijsinspectie over burgerschapsonderwijs laat zien dat dit soort onderwijs op lang niet iedere school goed functioneert. Goed onderwijs, kleine klassen en betrokken leraren zijn ook een voortdurende reclame voor de verzorgingsstaat – en dat kan die staat goed gebruiken.

Dan de politiek. Referenda zijn in principe een goed middel om meer burgers bij de politiek te betrekken. Helaas zijn de ervaringen tegengevallen – vooral omdat de onderwerpen niet tot de verbeelding spraken. Maar een referendum over zorg, immigratie of onderwijs zou best een succes kunnen worden, vooral als duidelijk wordt gemaakt wat de alternatieven en de kosten van een bepaalde keuze zijn. Lokale kwesties lenen zich ook goed voor een referendum en dat kan gevoelens van machteloosheid tegengaan.

Politiek is een spel voor connaisseurs geworden

Tegenstanders van deze vormen van directe democratie beroepen zich op het feit dat we nu eenmaal leven in een systeem van vertegenwoordiging, en dat we ons vertrouwen hebben gegeven aan gekozen beroepspolitici. Helaas begint die vertegenwoordiging steeds meer het probleem zelf te worden. In Nederland gaan nu 28 partijen aan de komende Kamerverkiezingen deelnemen. Gevolg is dat driekwart van de kiezers nog geen idee heeft op wie ze gaan stemmen en dat ook een afgestudeerde breinwetenschapper een computer nodig heeft om uit te rekenen welke partij het best bij zijn overtuigingen past. Politiek is een spel voor connaisseurs geworden, niet iets voor gewone mensen. Maar zij hebben dit probleem niet veroorzaakt, dat waren de politici zelf. Die politici zijn ook de eerst aangewezenen om met oplossingen te komen. Het is voor hun eigen bestwil. Met een paar fusies, een kiesdrempel en enkele regels tegen ongebreideld afsplitsen kun je de politiek al een stuk overzichtelijker maken.

Maar goed. Je kunt het onderwijs nóg beter maken en de politiek iets begrijpelijker, en je kunt hopen dat politiek weer iets voor de mensen gaat betekenen. Dat ze hun gerechtvaardigd cynisme overwinnen en zich weer met politiek en politici gaan identificeren. Maar waarschijnlijk is dat niet genoeg.

Misschien moet je dus iets onconventioneels doen om iedereen te bereiken. Je zou bijvoorbeeld je toevlucht kunnen zoeken bij een andere macht: die van de verbeelding. Nederlandse programmamakers en scenarioschrijvers behoren tot de internationale top. Waarom zetten ze hun talent niet in om vraagstukken als immigratie, onderwijs en zorg in televisieseries om te zetten? In de aanloop tot een referendum of een verkiezing zouden het ideale middelen kunnen zijn om die thema’s te verdiepen en de persoonlijke gevolgen van een politieke keuze inzichtelijk te maken. Dat kan tot identificatie leiden en tot het inzicht dat die keuzes belangrijk zijn.

Er zijn voorbeelden genoeg. Televisieseries als Roots (1977) en Holocaust (1978) hebben aangetoond dat je de moeilijkste kwesties op een acceptabele wijze kunt dramatiseren en ze hebben belangrijk bijgedragen aan de verwerking van en de kennis over slavernij en Jodenvervolging. In Braziliaanse en Mexicaanse soaps (telenovela’s) zijn homoseksualiteit, racisme en geweld aan de orde gesteld. Ook in onze eigen Goede Tijden, Slechte Tijden zijn heel wat heikele kwesties aan bod gekomen, zoals een homoseksuele betrekking tussen een Nederlandse en een Turkse jongen. Dat werkt, want veel mensen zien het en praten erover.

Wie de politiek tot gespreksonderwerp wil maken kan iets van die voorbeelden leren. Je moet het persoonlijk maken, invoelbaar. Je zou je een serie over een familie kunnen voorstellen waarin gediscussieerd wordt over politieke kwesties. Je zou de verwikkelingen in een gemeenteraad kunnen verbeelden, en de gevolgen die dat voor die stad heeft. Je zou politici voor hypothetische opgaven kunnen plaatsen en ze met de camera volgen. Je zou het Nederland van 2027 kunnen verbeelden – in drie of vier varianten.

De complicaties en de bezwaren zijn van tevoren uit te tekenen en naïef zullen die ideeën zeker worden genoemd. Maar je zou zweren dat een samenleving die succesvolle series als Penoza, Overspel en Klem kan produceren, ook iets moet kunnen maken dat tot de politieke verbeelding spreekt. Iets wat uitnodigt tot napraten en de kiem legt voor politieke belangstelling. Maatschappelijke fictie. Orwell, Roth, Houellebecq en Young hebben laten zien hoe goed dat kan werken.