Een Azteken-hoofddeksel in Wenen? Leg dat maar eens uit!

Geschiedenis

In de koloniale tijd zijn talloze culturele voorwerpen in het Westen terechtgekomen. Hoe ga je daar „juist en rechtvaardig” mee om? Om te beginnen door op de bordjes in een museum hun geschiedenis te vertellen.

De Spanjaarden roofden in 1520 het hoofddeksel van de Aztekenkoning Montezuma Xokoyotzim II. De tooi met de 400 quetzal-veren kwam eind zestiende eeuw in Oostenrijkse handen en ligt nu in het Weltmuseum in Wenen. Foto Weltmuseum (Wenen)

Waar Jos van Beurden ook kwam, in Mali, Ethiopië, Cambodja, Thailand en Bangladesh, overal hoorde hij verhalen over het gemis van culturele voorwerpen. Over maskers, beelden, wapens en sieraden die in de koloniale tijd waren weggevoerd. „Als het om culturele voorwerpen gaat, is de dekolonisatie nog lang niet afgelopen”, zegt Van Beurden.

Na zijn pensioen besloot Van Beurden, ooit afgestudeerd in rechtsfilosofie en conflict-studies, dat het tijd was voor iets constructiefs. Hij begon een promotie-onderzoek naar de omgang met koloniale culturele voorwerpen. Daarbij onderzocht hij niet alleen de historische en juridische aspecten van deze meegenomen voorwerpen, maar ook de mogelijkheden om deze terug te geven. Zijn proefschrift, waarop hij enkele maanden geleden promoveerde, is daardoor een mix geworden van geschiedenis, rechten en conflict-studies.

„Het is toch vreemd dat alleen al het [volkenkundig] Musée du quai Branly in Parijs meer voorwerpen uit Benin heeft dan Benin zelf?”, zegt Van Beurden, die als journalist veel schreef over de illegale handel in cultureel erfgoed uit niet-westerse landen. Hij concludeert: „Europa heeft een morele plicht daar iets aan te doen.”

Giften en buit

Voordat Europese landen daadwerkelijk koloniën vestigden in Azië, Afrika en Amerika, openden zij – vaak gewapenderhand – handelsposten in die gebieden. Nederland deed dit bijvoorbeeld in de VOC-tijd (vooral 17de eeuw), voordat (het huidige) Indonesië in de 19de eeuw tot een deel van het koninkrijk werd gemaakt. Tot nu toe werd aangenomen dat het in die vroege fase voornamelijk ging om het verkrijgen van cash crops als koffie en suikerriet voor economisch gewin. En daarnaast om het verzamelen van botanica voor medicijnen en het maken van kaarten voor militaire doelen.

„Maar ook toen al zijn veel culturele voorwerpen naar Europa verdwenen”, concludeert Van Beurden nu. Soms gebeurde dit als gift, als teken van onderwerping, maar vaker als buit na militaire campagnes of na gedwongen bekeringen door missionarissen. Tijdens de koloniale periode, waarin Europeanen zich vestigden, het bestuur definitief overnamen en de natuurlijke bronnen gingen exploiteren, werd de stroom culturele objecten naar Europa structureel.

Waarom heeft Nederland nooit particuliere eigenaren gestimuleerd om het bezit van omstreden voorwerpen te heroverwegen?

Van Beurden geeft in zijn proefschrift tientallen voorbeelden van hoe in de verschillende periodes spullen zijn verdwenen en waar ze zijn terechtgekomen. Zo plunderden de Spanjaarden in 1520 het paleis van Aztekenkoning Montezuma Xokoyotzim II en namen het keizerlijke hoofddeksel met de vierhonderd bronsgroene quetzal-veren mee. Eind zestiende eeuw kwam hij in Oostenrijkse handen en nu ligt hij in het Weltmuseum in Wenen. Van Beurden: „Daar zeggen ze dat het niet zeker is dat hij van de Aztekenkoning was.”

Niet vergeten, wel versmaad

In 1691 roofden VOC-soldaten tijdens de strijd tegen de heersers van Malabar in India zestien bronzen beelden uit een Hindoetempel. Ze kwamen terecht in de collectie van de Amsterdamse burgemeester Nicolaes Witsen. „Die liet ze in 1728 veilen en sindsdien is niet bekend waar ze gebleven zijn”, zegt Van Beurden. In 1874 vielen Britse troepen het hof van de Ashanti in Ghana aan en namen het zwaard van de koning, gouden maskers en andere kostbaarheden in beslag. Van Beurden: „Honderd jaar later vroeg Ghana ze terug, maar de Britse regering en het British Museum weigerden ze terug te geven.”

De Britten roofden in 1874 gouden voorwerpen van de Ashanti-koning in Ghana. Die voorwerpen zijn nu het British Museum in Londen. British Museum

In de tijd van dekolonisatie waren de weggevoerde koloniale culturele voorwerpen niet vergeten. Ze werden vaak onderdeel van de onderhandelingen over de losmaking van de kolonies. Maar in het geval van Nederland en Indonesië kwam het pas 26 jaar na de eerste onderhandelingen tot een overeenstemming en teruggave. Daarvoor liepen de gesprekken telkens mis; de ene keer vanwege de gespannen politieke situatie rond westelijk Nieuw-Guinea, de andere keer omdat Nederland bang was dat het alles kwijt zou raken als het met teruggeven zoud beginnen, of uit politieke onwil vanwege de mensenrechtensituatie in Indonesië onder Soeharto.

In 1975 was de tijd eindelijk rijp. De uitkomst was dat Indonesië, dat een lijst had met tienduizend voorwerpen die het terug wilde, slechts een paar honderd voorwerpen terugkreeg. Vanaf dat moment was voor Nederland, dat met de ‘overdrachten’ – het woord ‘teruggave’ zou teveel op schuld wijzen – de zaak klaar: voor de buitenwereld was ook een goede beurt gemaakt.

„Maar er zijn nog vele losse eindjes”, zegt Van Beurden. „De kris die [premier] Rutte onlangs tijdens zijn handelsbezoek heeft teruggegeven was slechts een cadeau om de Nederlandse belangen te bevorderen. De kris die prins Diponegoro, een nationale held in Indonesië, in 1830 moest overdragen aan generaal De Kock is veel belangrijker voor Indonesië, maar die is weg. Waarom heeft Nederland nooit uitgezocht waar hij nu is?”

In 2015 gaf de familie van gouverneur-generaal J.C. Baud (1833-1836) op eigen initiatief de pelgrimsstaf van Diponegoro aan het Nationaal Museum in Jakarta. Van Beurden: „Waarom heeft Nederland nooit particuliere eigenaren gestimuleerd om het bezit van omstreden voorwerpen te heroverwegen?”

Openbare registers

Van Beurden heeft ook onderzocht hoe België na de dekolonisatie omging met Congo, Denemarken met Groenland, de Faeröer en IJsland, en Australië met Papoea-Nieuw Guinea inzake culturele voorwerpen. In al die gevallen zijn er nog steeds veel voorwerpen die de voormalige koloniën graag terug willen zien.

Op moderne wetten of internationale verdragen en conventies hoeven ze daarbij niet te rekenen, zegt Van Beurden. „Die werken niet met terugwerkende kracht.” Eerder moeten ze hun hoop vestigen op zogenoemde soft law, zoals de Washington Conference Principles uit 1998, die niet-bindend zijn, maar in hun geval wel bedoeld zijn om kunst die door de nazi’s is geroofd terug te bezorgen bij de oorspronkelijke eigenaren of hun erfgenamen.

De Britten roofden in 1874 gouden voorwerpen van de Ashanti-koning in Ghana. Die voorwerpen zijn nu het British Museum in Londen. Foto British Museum

Ze vormen voor Van Beurden een inspiratiebron voor zijn stappenplan om ook voor koloniale culturele voorwerpen tot „juiste en rechtvaardige” oplossingen te komen. Daarbij gaat het om het aanleggen van openbare registers met voorwerpen uit staats- en particuliere collecties, om het opsporen van gaten in verzamelgeschiedenissen, wantrouwen aan beide zijden wegnemen, elkaar leren kennen, betrokkenheid tonen, op basis van gelijkwaardigheid met elkaar spreken, uitkomen voor onderliggende belangen en vooral de tijd nemen.

Geen schuld, maar bewustwording

„Over een paar jaar is de tijd rijp, daarvan ben ik overtuigd. Van museumconservatoren in Europa hoor ik dat ze er al mee bezig zijn”, zegt Van Beurden.

Een ding wil hij ook nog duidelijk maken: „Het gaat niet om schuld. In Europa hoeven ze niet bang te zijn dat alles terug moet. Het gaat vooral om bewustwording van wat er met een voorwerp is gebeurd. Laten musea beginnen met een bordje bij een object neer te zetten waarop staat hoe het in het museum is terechtgekomen.”

In mei verschijnt het proefschrift over koloniaal erfgoed onder de titel ‘Treasures in Trusted Hands’ bij Sidestone Press.