De Nokia 3310 en het eeuwige leven van Snake

De aangekondigde wederkomst van de Nokia 3310 telefoon zorgde deze week voor een opwinding die je deed afvragen waarom het toestel ooit van de markt is verdwenen. Mensen schreven odes en zelfs liefdesbrieven aan het ding; het nieuws deed denken aan de sidderingen die Apple vroeger teweegbracht met nieuw snufjes, alleen ging het nu dus om een opgepoetst museumstuk.

Maar men likkebaardde en smachtte. Dit oversteeg de gebruikelijke weemoed over dingen die verdwenen zijn, zoals flippo’s, Hyves en het touwtje in de brievenbus. Dit raakte ook een diepere snaar dan de reïncarnatie van de Polaroid-film of de terugkeer van de Leopard II-tanks. Dit was hartstocht.

Er klonken grote woorden. De batterijduur van deze Nokia zou het eeuwige leven benaderen. Het toestel zelf was onverwoestbaar, zou zelfs een ‘dystopische apocalyps’ overleven, schreef iemand — alsof die apocalyps ook nakende was. En het spelletje Snake II werd geprezen als hoogcultuur.

De Nokia 3310 stamt uit het jaar 2000. Er werden er 127 miljoen van verkocht. Het was de tijd dat we de milleniumbug net overleefd hadden, elf september was nog een anonieme nazomerdag en Jody Bernal zong ‘Que si que no’ — maar dat heeft er verder weinig mee te maken.

Het verlangen naar de 3310 is vooral verlangen naar grip. Heel letterlijk: deze dikke Nokia had de grip van een tennisracket. Maar het was vooral ook de laatste succesvolle gewone, internetloze telefoon. Een telefoon die niet pusherig was, niet meegluurde en voor ons nadacht. Niet ons leven dicteerde.

En volgens de bedrieglijke wetten van de nostalgie projecteren we daar een tijd op waarin we nog zuiver en gefocust waren, toen we niet vluchtig tinderden of appten en alles uit het leven wilden sleuren, maar alleen als het leven daar echt om vroeg heel zorgvuldig klik-klakkend een sms-bericht componeerden.

Toen jezelf zijn nog een kwestie was van kiezen uit vijf kleuren frontjes.

Die magische batterijduur was natuurlijk niet magisch: je mobieltje was nooit leeg omdat je er niet zoals nu vier uur per dag aan gekluisterd was. Om diezelfde reden ging-ie ook minder vaak stuk. En wat kon er überhaupt kapot aan die paar pixels van dat grijs-groene postzegelschermpje.

Het verlangen naar de Nokia 3310 is het verlangen naar een telefoon die je veel minder gebruikte.

Dat is een redelijk verlangen. Maar wat telt zijn de daden. En het wonderlijke is dat de 3310 al die tijd gewoon steeds te koop was – op Marktplaats en eBay weliswaar. Heel gewild is-ie ook niet, gezien het prijsniveau. Hij kost een paar tientjes.

Ik heb er zelf vorig jaar nog een gekocht, omdat ik een toestel wilde waarmee ik offline kon zijn maar toch bereikbaar. Het werkt maar is een paardenmiddel. De inbox begint al na een paar berichtjes te piepen dat-ie vol zit. En een bericht versturen is zo omslachtig als een epos krassen op een kleitablet. Mijn simkaart zit inmiddels weer in mijn smartphone.

De relaunch van de oude Nokia is een kans om onszelf voor de gek te houden, alsof we sterker zijn dan techniek, maar de waarheid is dat we niet zonder de smartphone willen, die anti-boeddha in onze broekzak. We willen connected zijn. We hebben ons allang overgegeven. We nemen de haat-liefde op de koop toe: de constante neiging je mobiel in de sloot te mikken, maar het niet doen omdat je weet dat je er dan achteraan springt.

Het leven was in 2000 niet eenvoudiger, ook toen klonk de klacht over de verstrooiing. Sterker, dat evangelie van ‘constant in touch’ begon met de opstarttune van Nokia’s ‘connecting people’, die twee handen die naar elkaar grijpen. De originele gebuikershandleiding rept er al over. En stelt: ‘Every minute is vibrant and every day is an adventure’.

In het jaar 2000 klonken min of meer dezelfde klachten over mobieltjes als nu. Ook toen hadden we geen grip op het leven. En was het leven niet continu vibrerend, vaak moest er tijd gedood. Daar heb je nu Candy Crush voor; toen had je Snake. Dat simpele spel is een goede samenvatting van de condition humaine: een slangetje kan niet stoppen met appeltjes eten, net zo lang tot-ie in zijn eigen staart bijt. Maar dan begin je weer een nieuw spel, omdat je verslaafd bent, enzovoorts, tot in eeuwigheid, tot de batterij piept.