‘Topinformant’ Mustafa B. was van waarde voor politie én onderwereld

Criminele inlichtingen

Bij politie-informanten is de vraag altijd: wie gebruikt wie? Reconstructie van de glanzende carrière van informant Mustafa B.

Illustraties Roel Venderbosch

Op vrijdag 2 december 2016 doet Mustafa B. wat hij de afgelopen 25 jaar wel vaker heeft gedaan. Hij belt met de politie. Mustafa is een snitch zeggen ze in het milieu: hij speelt informatie uit de onderwereld door naar de politie. Vandaag heeft hij materiaal in handen waar iedereen van op zal kijken. Het zijn opnames van Gerrit G., een corrupte douanier en hoofdrolspeler in een onderzoek naar cocaïnesmokkel via de Rotterdamse haven.

Het is vier uur ’s middags als Mustafa B. de Rotterdamse inspecteur Ronald aan de lijn krijgt. De 49-jarige Turkse Nederlander vertelt dat hij opnames van drie gesprekken heeft waarin Gerrit G. belastende informatie prijsgeeft over zichzelf en een aantal medeverdachten.

Als een dag later de opnames zijn uitgelekt via de NOS en het AD, mailt Mustafa weer met rechercheur Ronald: er is echt paniek in de onderwereld. In een proces-verbaal dat de rechercheur maakt, is tussen de regels door verbazing te lezen. Waarom doet hij dit?

Ronald is geen toevallige rechercheur die betrokken is bij het onderzoek naar corruptie in de haven. Hij heeft Mustafa gearresteerd en verhoord omdat hij als getuige bij de rechtbank meineed zou hebben gepleegd over zijn rol in het onderzoek naar de douanier. Waarom zoekt Mustafa uitgerekend contact met de rechercheur die hem moet onderzoeken?

Mensen die Mustafa B. al langer kennen, stellen dat het kenmerkend is voor zijn werkwijze. „Hij gaat altijd recht op zijn doel af. Hij benadert je met informatie die voor jou van belang kan zijn en probeert dan zelf weer informatie te krijgen waar hij wat aan heeft”, zegt iemand uit het Rotterdamse milieu.

Het bijzondere verhaal van Mustafa B. illustreert het belang van informatie uit de onderwereld voor de bestrijding van de georganiseerde misdaad. Het idee van de omerta in de onderwereld, dat er niet met de politie wordt gepraat, is een illusie. Criminelen kennen als geen ander de waarde van informatie en mensen als Mustafa B. gedijen daar bij. De afhankelijkheid van criminele bronnen is voor justitie en politie ook een risico. Welke belang zij dienen is vaak diffuus.

Zo is rivalen wegtippen om er zelf beter van te worden een veelgebruikte strategie, zeggen advocaten. Soms klikken criminelen uit vrees voor hun leven, soms is het een wraakoefening. En tips over de onderwereld zijn ook geld waard – informanten krijgen via de ‘tip- en toongeldregeling’ cash voor bruikbare informatie.

Geworven in de gevangenis

NRC reconstrueerde de carrière van informatiemakelaar Mustafa B. op basis van strafdossiers, gesprekken met opsporingsambtenaren, advocaten en bronnen in het criminele milieu. Hij is van waarde voor de politie én de onderwereld, zeggen ze, „anders had hij het niet zo lang volgehouden”. „Mustafa is een intrigant die vaak opduikt in grote zaken en er altijd mee wegkomt”, klinkt het in opsporingskringen. Mustafa zelf: „Iedereen die mij informant noemt, klaag ik aan.”

Hij is wel informant geweest, erkent hij, in de jaren negentig. Hij wordt geworven in de gevangenis waar hij in 1991 terecht komt voor drugshandel. Al vanuit de bajes verstrekt hij de politie soms informatie. Nadat hij is vrijgekomen ontwikkelt hij zich tot een belangrijke bron en heeft hij bijna dagelijks contact met de politie, meestal telefonisch. Hij levert cruciale informatie over een aantal grote, geruchtmakende onderzoeken naar heroïnehandel door Turkse criminelen. Volgens Mustafa wordt hij regelmatig „gericht op pad gestuurd”. De politie vraagt hem „contacten te leggen met criminelen, kentekens te noteren en adressen vast te stellen”.

In ruil voor zijn werk krijgt hij een vergoeding en – een enkele keer – informatie. Later vertelt Mustafa dat hij tussen 1995 en begin 1999 een bedrag heeft ontvangen van omgerekend ruim 45.000 euro.

Een hoop geld, maar Mustafa was „een topinformant”, zo blijkt uit een verklaring van een zeer ervaren agent die Mustafa in die tijd aanstuurde. „Ik heb in al die tijd nooit een informant gerund die zo goed geïnformeerd was.” Maar hij heeft ook twijfels. „Uit ervaring weet ik dat een informant die zo waardevol is, zelf ook actief moet zijn in het criminele milieu.”

Hij krijgt gelijk. In 1998 komt Mustafa als verdachte in het vizier van de Amsterdamse politie tijdens een onderzoek naar een groep heroïnesmokkelaars. Als de Amsterdammers zijn telefoon af gaan luisteren, blijkt dat hij als informant werkt voor een politieteam uit Noord-Oost Nederland. Op basis van deze telefoontaps ontstaat bij de Amsterdammers het beeld dat Mustafa dingen doet die niet mogen en dat de collega’s dat door de vingers zien. Ze vermoeden dat Mustafa zendingen heroïne pas wegtipt als het te laat is om de drugs nog te achterhalen.

Het leidt tot een hoog oplopend conflict tussen de rechercheteams met alle publiciteit van dien. Uiteindelijk moet de Rijksrecherche eraan te pas komen om de zaak te sussen. Die constateert onvolkomenheden maar geen grote misstanden. In de strafzaak die volgt oordeelt de rechtbank dat justitie het recht om Mustafa voor heroïnehandel te vervolgen heeft verspeeld. Zijn medeverdachten worden wel veroordeeld. Onder hen René F., nu een van de hoofdverdachten in de zaak rond douanier Gerrit G.

Onschuldig slachtoffer

Mustafa B. en René F. kennen elkaar uit café Mignon, dat René sinds het midden van de jaren negentig runde in Schiedam. Mustafa zat er regelmatig aan de bar, net als Dennis van den Berg, een geboren Schiedammer die geen bezwaar heeft tegen het gebruik van zijn volledige naam. René F. raakt ook met Dennis goed bevriend, en zo leren ook Dennis van den Berg en Mustafa elkaar kennen. Het trio vindt elkaar weer als René zijn straf voor de heroïnezaak heeft uitgezeten.

De vriendschap verzuurt in 2005, als ze ruzie krijgen over geld. Dennis claimt dat hij Mustafa op verzoek van René 100.000 euro heeft geleend. Mustafa stelt dat het om veel minder geld gaat dat hij heeft terugbetaald.

Het conflict suddert jarenlang door en komt weer naar boven in het onderzoek naar de corruptie douanier Gerrit G., die door smokkelaars zou zijn betaald voor het ongezien door de haven loodsen van grote hoeveelheden cocaïne. Dennis van den Berg en René F. zijn twee van de verdachten in deze complexe zaak, die begon met het onderscheppen van 300 kilo cocaïne in december 2013. Het onderzoek krijgt prioriteit als een onschuldige burger, ggz-directeur Rob Zweekhorst, per vergissing wordt doodgeschoten. Het vermoeden bestaat dat Dennis van den Berg het beoogde slachtoffer was.

Lees over het dubbelleven van Gerrit G.: Hij bleek dus al jaren stiekem in de drugs te zitten

Als het onderzoek naar de moord op Zweekhorst eind 2015 op een dood spoor zit, benadert de Rotterdamse recherche Mustafa B.. Omdat er een onschuldig slachtoffer is gevallen, zegt Mustafa, wil hij wel meewerken. „Dat had nooit mogen gebeuren.”

Zoals verwacht blijkt Mustafa douanier Gerrit G. te kennen en is hij ook op de hoogte van details van een vete tussen verschillende criminelen die strijden om de diensten van Gerrit. Dennis en René zijn volgens Mustafa ook bij dat conflict betrokken. Maar Mustafa zou Mustafa niet zijn als hij niks extra’s te bieden zou hebben. Hij blijkt over geheime mailadressen te beschikken die een aantal betrokken drugssmokkelaars gebruikt voor communicatie via speciale ‘pgp-telefoons’ die heel moeilijk zijn af te luisteren.

Toeval of niet, in diezelfde periode legt de dan nog gedetineerde Dennis van den Berg een geschreven verklaring af over de strafzaak. Daarin komt Dennis terug op de ruzie uit 2005. Volgens Van den Berg is Mustafa de bron van een tip die vlak na de moord op Zweekhorst is gedaan bij Meld Misdaad Anoniem. Volgens die tip is ‘Blondie’ het beoogde slachtoffer van de vergismoord. En Blondie is de bijnaam die Mustafa en René voor Dennis gebruikten. „Dennis is een leugenaar”, zegt Mustafa boos. „Ik heb er niks mee te maken en ben zeker geen politie-informant.” Als zijn boosheid is geluwd, beaamt Mustafa dat hij de Rotterdamse onderwereld goed kent. Hij kent douanier Gerrit G. en alle andere hoofdrolspelers in deze zaak. Mustafa zegt precies te weten hoe het zit met de 300 kilo cocaïne die werd onderschept. Maar hij is niet naar de politie gestapt: „De politie is naar mij toegekomen.”

Ene Paul

Spreekt Mustafa B. de waarheid? Uit twee processen-verbaal van december 2013 en januari 2014 blijkt dat Mustafa in een andere grote strafzaak rond cocaïnesmokkel wel degelijk zelf gebeld heeft met een hoofdinspecteur van politie. Hij geeft dan gedetailleerde informatie met namen, kentekens en data waarop de drugs de haven binnenkomen. En die informatie klopt. De verdachten worden aangehouden en veroordeeld. Het proces-verbaal van de tip zit in het dossier als de basis van het onderzoek. Geconfronteerd met het proces-verbaal zegt Mustafa B.: „Dit kan niet kloppen. Ik zat toen vast in Turkije.” De onderbouwing daarvan ontbreekt.

Dat hij soms informatie aan de politie geeft, blijkt ook het relaas van rechercheur Ronald over de gebeurtenissen rond Gerrit G. tijdens het Sinterklaasweekend in 2016. In dat geval is hij niet meer dan een tussenpersoon, zegt hij. De opnames van douanier Gerrit G. zijn gemaakt door ene Paul, een schuilnaam voor een crimineel die zegt te werken voor een Colombiaans drugskartel. De Colombianen zeggen nog geld tegoed te hebben van Dennis en René.

Gerrit G. wordt opnieuw aangehouden omdat uit de opnames blijkt dat hij de voorwaarden van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis heeft geschonden. De week daarvoor is al een celstraf van 16 jaar tegen hem geëist.

De operatie met Paul lijkt dus een succes, tot het verhaal achter de opnames naar buiten komt via de advocaat van Gerrit G., Jan-Heijn Kuijpers. Paul blijkt namelijk een informant van de politie.

Hij heeft zich in de zomer van 2016 gemeld bij het Team Criminele Inlichtingen (TCI). De politie ontdekt al snel dat hij een valse naam gebruikt en meerdere keren als informant is uitgeschreven omdat hij onbetrouwbaar werd geacht. Toch wordt hij opnieuw ingeschreven in het TCI-register nadat de politie twee gesprekken met hem heeft gevoerd in Colombia.

Als Paul daarna meldt dat hij een afspraak heeft met Gerrit G. zet TCI een heel traject op om Paul naar Nederland te halen en die gesprekken op te nemen. Nadat hij het land begin september weer verlaten heeft, reageert hij al snel niet meer op berichten van TCI. Hij wordt opnieuw geschrapt als informant en op een zwarte lijst gezet. De opnames die van zijn gesprek met Gerrit G. zijn gemaakt, zullen vanwege zijn dubieuze reputatie ook niet als bewijsmateriaal worden gebruikt tegen de douanier en zijn medeverdachten. Advocaat Kuijpers noemt het heel opmerkelijk dat TCI investeert in een informant die eerder als onbetrouwbaar is gekwalificeerd, om daarna het bewijsmateriaal weg te gooien. Saillant detail: de officier van justitie die verantwoordelijk is voor de zaak van Gerrit G. krijgt pas te horen hoe de opnames tot stand gekomen zijn nadat advocaat Kuijpers heeft gemeld dat Paul als informant werkt. Het roept de vraag op wie hier nou eigenlijk wie runt.

Mustafa B. kan dat allemaal niet weten op het moment dat hij tijdens het Sinterklaasweekend van 2016 contact opneemt met rechercheur Ronald. Nadat Gerrit G. op zondag 4 december is aangehouden, stuurt Mustafa meteen een bericht aan Ronald, zo blijkt uit zijn proces-verbaal van die dag. „Gerrit gearresteerd, hoor ik.” Mustafa denkt dat hij de politie een dienst bewezen heeft en wil weten of de andere verdachten ook worden aangehouden, doelend op zijn ‘vrienden’ Dennis en René. F. Ronald beroept zich op zijn geheimhoudingsplicht. „Tuurlijk”, mailt Mustafa. „Mooie actie toch?”

Naschrift (17 maart 2017) In overleg met betrokkenen is de achternaam van rechercheur Ronald uit dit artikel geschrapt [red.].