Recensie

Bij Hockney gaat het altijd over kijken

Tentoonstelling

Tate Britain in Londen toont het grootste overzicht ooit van de schilder David Hockney. Wat hebben de zeer uiteenlopende werken met elkaar te maken?

Woldgate woods, 6 & 9 november, 2006, olie op 6 doeken. Foto Richard Schmidt

De Engelse schilder, tekenaar, graficus, fotograaf en filmer David Hockney (Bradford, 1937) is een van de bekendste en meest geliefde kunstenaars ter wereld. En terecht, als je het mij vraagt. Maar ik ben dan ook een fan: ik bekijk tentoonstellingen, lees biografieën en interviewbundels, koop documentaires over Hockney op dvd. Ik verheugde me al maanden op zijn grote overzichtstentoonstelling in de Tate Britain in Londen. Nu ik daar geweest ben, probeer ik me een jonge kunstliefhebber voor te stellen die nog níet vertrouwd is met Hockney’s werk. Wat voor indruk houdt zo iemand over aan dat retrospectief in Londen?

In de eerste museumzalen maakt hij kennis met de jonge Hockney, die omstreeks 1960 rauw schildert, een beetje zoals Francis Bacon, maar dan grappiger. Poppetjes met scherpe tanden. Veel cijfers en letters in het beeld. Toespelingen op homoseks, destijds in Engeland nog bij wet verboden.

Na drie zalen is Hockney naar Amerika verhuisd en maakt hij strakke, klinische schilderijen in pastelkleuren van Californische villa’s met privézwembaden, vaak met blote jongens erin.

A Bigger Splash (1967) hangt hier, zijn beroemde schilderij van een plons witte verf in een egaal blauw chloorzwembad. Een flard action painting in een hard edge abstracte compositie.

Dan is er een indrukwekkende zaal met Hockney’s levensgrote, ineens heel naturalistische dubbelportretten uit de jaren zeventig, van onder meer zijn bejaarde ouders, de modeontwerper Ossie Clark en zijn vrouw Celia, de schrijver Christopher Isherwood en zijn vriend Don Bachardy. Gevolgd door een zaal met alleen maar tekeningen op klein formaat. Weer gevolgd door een zaal met alleen fotowerken: de joiners uit de jaren tachtig, waarin steeds één beeld is samengesteld uit tientallen, soms zelfs honderden losse detailfoto’s.

De tekst gaat verder na de video

Uit de late jaren tachtig en negentig zijn er interieurs en landschappen waarin Hockney met het kubisme flirt, al schildert hij in veel bontere kleuren dan Picasso en Braque ooit zouden gebruiken.

Kort na het jaar 2000 woont hij weer meer in Engeland dan in Amerika; hij vereeuwigt het platteland van zijn geboortestreek Yorkshire in grote, vaak uit meerdere doeken bestaande schilderijen, maar ook in enorme videowerken – en ten slotte weer in good old houtskool op papier. De tentoonstelling eindigt met een zaal tekeningen die Hockney op zijn iPhone en iPad maakte. Ze worden in het donker getoond op negen grote beeldschermen.

Van alles wat

Peter getting out of Nick’s pool, 1966. © David Hockney Collection; Walker Art Gallery, Liverpool

Door de decennia heen bedient Hockney zich dus van alle mogelijke technieken en lijkt hij zich weinig om stijlvastheid te bekommeren. Van die grote afwisseling geeft het retrospectief wel een idee. Er hangt van alles wat, min of meer chronologisch, en er zijn topstukken uit het oeuvre bij. Dat is knap werk van de organisatie, want de tentoonstelling is hierna nog in het Centre Pompidou in Parijs en het Metropolitan Museum in New York te zien: musea en verzamelaars moesten dus bereid worden gevonden hun bruiklenen voor meer dan een jaar af te staan.

Maar ik betwijfel of de samenhang tussen de verschillende onderdelen duidelijk is voor wie Hockney’s werk niet goed kent en wel eens wil weten wat de maker van die beroemde Big Splash nog meer heeft gedaan. De groepen werken zijn niet zo gekozen en gepresenteerd dat je begrijpt hoe de ene groep uit de andere voortvloeit, en hoe Hockney vaak in een andere vorm of techniek op hetzelfde thema terugkomt.

Een paar zalen na de dubbelportretten uit de jaren zeventig hadden bijvoorbeeld enkele van zijn veertig geaquarelleerde dubbelportretten uit 2002 getoond kunnen worden. (En, idealiter, helemaal aan het einde een paar van de 82 grote portretten die hij tussen 2013 en 2016 schilderde – maar dat was helaas niet mogelijk omdat die hele reeks momenteel in Melbourne hangt.)

De informele iPadtekeningen van een asbak, bloempotten op de veranda of een iPhone aan de oplader zouden minder uit de lucht komen vallen als ze waren voorafgegaan door de felgekleurde, originele stillevens uit de jaren negentig: schilderijen van onder meer narcissen, broccoli, een plastic terpentinefles en slapende teckels.

Omdat de diversiteit in het oeuvre meer nadruk krijgt dan de continuïteit, is de solotentoonstelling in de Tate een soort groepstentoonstelling van één kunstenaar geworden. Van de catalogus wordt de bezoeker niet veel wijzer: de auteurs daarvan doen hun uiterste best Hockney alsnog in te lijven bij de moeilijke moderne kunst waar hij al zestig jaar vrolijk omheen fietst. „Hockney patiently proceeded to overcome, through Hegelian sublation, Benjamin’s dialectics that oppose painting with technology.” Het staat er echt.

Negen camera’s

Christopher Isherwood & Don Bachardy, 1968. Foto David Montgomery/Getty Images

Nu is David Hockney heus wel een conceptuele kunstenaar, in die zin dat hij nadenkt over de bedoelingen en de betekenis van wat hij maakt. Maar die laten zich ook heel goed begrijpen zonder de filosofieën van Hegel en Benjamin en zonder onnavolgbaar kunstjargon.

Het gaat bij Hockney altijd over de waarneming. Over het plezier van intens kijken naar de wereld om je heen, en dus over levenslust. There’s a fabulous lot to look at, vindt hij. Om te beginnen is daar de ruimte waarin we ons bevinden. Hoe onze blik de ruimte aftast, hoe het perspectief verschuift als we ons verplaatsen. Die ruimtelijke ervaring probeert Hockney op het platte vlak te benaderen. Vandaar zijn samengestelde fotowerken, vandaar zijn belangstelling voor de kubisten (die een onderwerp van meerdere kanten tegelijk wilden laten zien). En vandaar ook het videowerk uit 2011, waarvoor hij een auto met negen high definition-camera’s over een bospad in Yorkshire liet rijden, vier keer precies hetzelfde stukje in winter, lente, zomer en herfst. Negen camera’s zien meer dan één; ze kijken vooruit, maar ook naar links en rechts en omhoog, net als de bewegende mens.

Nog een bron van kijkplezier: licht. Hoe het licht breekt in transparant spul als water of glas, en hoe je zo’n effect in verf kunt stileren. Bliksemschichten op een zwembadbodem. De reflectie van een schemerlamp in een donkere ruit. Tegenlicht en lange schaduwen als het voorjaar je tegemoet komt op een landweg.

Bovendien zijn er de kleuren. Zoek op ‘David Hockney’ in Google Images en je ziet het in één oogopslag. Hockney is een colorist, iemand die de gekleurdheid van alle dingen viert. Hoe zo’n bos door de seizoenen heen van kleur verschiet: je weet het natuurlijk wel, maar je staat er toch weer van te kijken als je het – knisperend scherp – op vier keer negen beeldschermen om je heen ziet.

Dat is wat Hockney al zestig jaar doet: het vanzelfsprekende zo in beeld brengen dat je beseft hoe bijzonder het eigenlijk is. Je vergeet soms gewoon uit je doppen te kijken, niet naar een computer- of smartphonescherm maar naar de mensen, spullen en plekken om je heen. Je verliest ze uit het oog omdat je ongelukkig bent op school of werk, omdat je je zorgen maakt over ontwikkelingen in de politiek, omdat je bang bent voor de dood van jezelf of anderen – en dan is daar de kunst, vooral die van Hockney, die zegt: kijk wat het leven allemaal te bieden heeft zolang het duurt. Kijk ernaar en verheug je erover.