Recensie

Verborgen in de navel van een paleis

Christophe Boltanski

In een chique, Parijs’ hôtel, een burcht achter een gesloten poort en een binnenplaats, overleeft de excentrieke familie Boltanski de geschiedenis. Een ieder snakt later naar ‘een leven zonder muren.’

Illustratie Irwan Droog

De Rue de Grenelle is een rustige, deftige, nogal smalle straat in het 7de arrondissement van Parijs. Zo’n straat met statige huizen, hoge gesloten poorten, waar af en toe een auto uitkomt, zodat je naar binnen kunt gluren. Vaak zie je dan een grote binnenplaats en verderop een klassiek hôtel met stenen leeuwen langs de trap en kroonluchters achter de vitrage.

De schuilplaats van journalist en schrijver Christophe Boltanski (1962) is gehuisvest in de Rue de Grenelle, in zo’n hôtel. Zijn grootouders woonden er, zijn vader, zijn beide ooms en zijn tante. Vanaf zijn dertiende woonde hij er zelf ook. Ze maakten deel uit van de chique ‘Faubourg Saint-Germain’, in een paleis dat spaarzaam was ingericht. Ze hadden geen cent en aten mondjesmaat. Gasten moesten afwachten of ze meer kregen dan voedsel uit blik. Het was hun manier om zich af te zetten tegen de conventie. Een vreemde eend in de bijt – dat was de familie Boltanski: kwetsbaar, excentriek, angstig, obsessief één tegen allen, samen tegen de buitenwereld.

Het portret dat Christophe Boltanski schetst is verbijsterend en ontroerend. Hij zoekt, hij herinnert zich, hij graaft in het verleden, hij tast naar een kern in de onontwarbare geschiedenis van zijn van oorsprong joods-Russische familie die een beroemd beeldend kunstenaar heeft voortgebracht (Christian), een bekende socioloog (Luc), een fotografe (Anne) en een eminent taalkundige (Jean-Elie). Zelf treedt Christophe, als schrijver, in de voetsporen van zijn grootmoeder die romans publiceerde.

Hij voert ons zijn familiegeschiedenis binnen aan de hand van een tekening van het huis in de Rue de Grenelle, waaraan hij steeds een ruimte toevoegt. Een huis als een palimpsest, schrijft hij, een stuk perkament, waarvan elke keer een laagje wordt afgeschraapt voor er een nieuw verhaal opgeschreven kan worden.

Eerst is er de cour, waarop een auto staat ingetekend, een Fiat Nuova 500. Die auto is het domein van de gehandicapte grootmoeder die zo haar familie dicht bij zich houdt: grootvader wordt naar zijn werk gebracht, kinderen naar school, terwijl de rest van het gezin in de auto blijft wachten, ‘in foetuspositie, in die baarmoeder op wielen’. Via de keuken, de eetkamer en de trap komt Boltanski bij ‘l’entre-deux’, een tussenruimte, ‘een leemte die nergens op sloeg, te klein voor een vestibule, te breed voor een gang, te groot voor een klerenkast’. Het is de ‘navel’ van het huis, een metafoor voor de familiegeschiedenis. Hier verborg zich Boltanski’s joodse grootvader in de oorlog, nadat hij ostentatief ruziënd, met een koffer, het echtelijk huis had verlaten. Alleen zijn vrouw wist van die bergruimte. Het gezin overleefde de oorlog. Nadien ging het dagelijks leven verder alsof er nooit iets was voorgevallen – gedreven door overlevingskracht, het vertrouwen in de mensheid nog verder gedeukt en gebutst.

Lang weet je als lezer niet wie die hij of zij is, hoe de familierelaties in elkaar zitten en hoe de chronologie loopt. De tekening die de ruimten aangeeft, lijkt een leidraad, maar ook die is in wezen maar schijn. Het boek speelt met veronderstellingen en onbekende grootheden: de familie houdt niet bij wie wanneer waar is geboren, bewaart geen foto’s. In de leegte en stilte zoekt Boltanski naar een verbindend verhaal.

Schitterend is zijn portret van een familie die eeuwig in het ‘entre-deux’ zit, opgesloten in het ‘ertussen’, een familie die overleeft door noch het een noch het ander te zijn, ongedefinieerd en ongrijpbaar. Ieder familielid wilde op latere leeftijd ontsnappen, schrijft Boltanski. Ook hijzelf snakte naar ‘een leven zonder muren’. Eerst vertrok hij naar Kairo, daarna werd hij journalist-verslaggever. Zijn beroemde oom, beeldend kunstenaar Christian Boltanski (1944), geobsedeerd door de magische cirkel waarin hij gevangen zat, maakte als kind gaten in de muren ‘op zoek naar een schat’. ‘Alles was mogelijk’, schrijft Boltanski, ‘behalve ergens anders zijn.’ Wordt creativiteit aangewakkerd als je ergens opgesloten zit, vraagt hij zich af. Het lijkt in deze uitzonderlijke familiegeschiedenis een retorische vraag.