Recensie

Het briefje waaruit bleek dat Cézanne en Zola toch vrienden waren

Paul Cézanne en Émile Zola

Beide kunstenaars kenden elkaar van jongs af aan, maar ooit kwam het tot een finale breuk. Dat vertelt althans de film Cézanne et moi. van Danièle Thompson. Uit hun nu gebundelde correspondentie blijkt het tegenovergestelde.

Scène uit Thompsons film ‘Cézanne et moi’ met Guillaume Gallienne als Cézanne (l.) en Guillaume Canet als Emile Zola

In de film Cézanne et moi (2016) van Danièle Thompson, over de vriendschap tussen Paul Cézanne en Émile Zola, speelt de breuk tussen beiden een cruciale rol. Aanleiding was Zola’s roman L’oeuvre (1886). Cézanne (1839-1906) had zich herkend in de hoofdpersoon, de schilder Claude Lantier die zelfmoord pleegt om aan zijn artistieke onmacht te ontkomen – en was not amused.

Aan 34 jaar vriendschap kwam abrupt een einde. Zo wordt het tenminste voorgesteld in de film, en tot voor kort ook in de literatuur over beide kunstenaars. Na het korte bedankbriefje (4 april 1886) van Cézanne voor de ontvangst van L’oeuvre zouden zij geen contact meer hebben gehad.

Totdat in 2013 op een Parijse veiling een even kort briefje van Cézanne opdook, waarin hij Zola (1840-1902) bedankt voor de ontvangst van het volgende deel (La Terre) van diens Rougon-Macquart-cyclus. Gedateerd: 28 oktober 1887. Kennelijk had er dus géén breuk plaatsgevonden. In het briefje van 1887 stond geen onvertogen woord. Het was gericht aan ‘Mon cher Émile’ en sloot af met de belofte hem ‘de hand te komen schudden’, als hij weer terug in Parijs zou zijn.

Bij nader inzien staat er ook in het briefje uit 1886 eigenlijk niets dat op een dramatische breuk wijst. Voor zover bekend hebben de twee vrienden elkaar na 1886 nooit meer gezien of gesproken, maar dat ze elkaar ook nooit meer hebben geschreven, is geheel en al op losse schroeven komen te staan.

In de tegelijk met de film verschenen briefwisseling van Cézanne en Zola zijn beide briefjes terug te lezen, naast alle andere bewaard gebleven epistels die zij elkaar hebben gestuurd. Dat veel verloren is gegaan, staat wel vast. Soms zijn er alleen de brieven van Cézanne, dan weer alleen die van Zola. En soms is er jaren achtereen niets, ook wanneer ze niet dagelijks in elkaars gezelschap verkeerden. Uit een correspondentie met zoveel hiaten valt helemaal niets met zekerheid af te leiden – behalve dan hoe innig de vriendschap ooit moet zijn geweest.

Gedichten

In 1852 hadden Cézanne en Zola elkaar leren kennen op de middelbare school in Aix-en-Provence, toen ze respectievelijk dertien en twaalf jaar waren. Samen met nog een derde vriend, Baptistin Baille, later hoogleraar optica, trokken ze de natuur in, gingen zwemmen, kletsten eindeloos over kunst en literatuur, en schreven zelf gedichten. Die gedichten, inclusief hele of halve brieven op rijm, komen ook voor in de correspondentie. Het andere vertier, zonnig uitgelicht en fraai in beeld gebracht, krijgen we te zien in film van Danièle Thompson.

De briefwisseling begint in 1858, toen Zola en zijn moeder naar Parijs verhuisden. Zola’s vader, een van origine Italiaanse ingenieur, was jong gestorven en had zijn gezin met weinig geld achtergelaten: in de hoofdstad hoopten moeder en zoon makkelijker in hun levensonderhoud te kunnen voorzien.

Cézanne, zoon van een bankier, had aanvankelijk geen geldzorgen. Alleen wilde zijn vader niet dat hij kunstenaar werd, hij moest rechten studeren. Pas na veel gedoe, waarbij Zola zijn vriend vanwege diens besluiteloosheid zelfs gebrek aan ‘karakter’ verwijt, koos hij voor de kunst en kon hij met een toelage van zijn vader naar Parijs vertrekken.

Lang hield Cézanne het daar niet uit, de Provençaalse zon bleef trekken. Ook Zola had heimwee naar ‘bouillabaisse en aïoli’, maar zijn literaire ambities konden alleen in de hoofdstad worden gerealiseerd. Aan dit verschil danken we de rest van hun correspondentie. Daarin wordt duidelijk hoe moeilijk de jonge schrijver het had. Hij lijdt aan spleen en ennui, moet werken voor de kost, hunkert naar liefde en klampt zich vast aan zijn vriendschap met Cézanne als een ‘schipbreukeling’.

Ook Cézanne krijgt het niet makkelijk. Zijn inzendingen voor de jaarlijkse Salon worden keer op keer afgewezen en wanneer hij een verhouding begint met een model en een kind van haar krijgt, moet hij Zola om financiële ondersteuning vragen omdat zijn vader niets mag weten van deze mésalliance.

Een paar maanden lang stuurt Zola trouw zestig francs naar Hortense en Paul jr. Tegen die tijd (1878) is hij eindelijk een succesvol auteur geworden. Met ijzeren regelmaat stuurt hij de delen van zijn Rougon-Macquart cyclus de wereld in, terwijl Cézanne nog steeds genoegen moet nemen met de Salon des Refusés. Slechts één keer lukt het hem om tot de officiële Salon door te dringen. Men vindt zijn werk te experimenteel, te onaf, alsof hij zijn ware spoor niet weet te vinden.

Dat is ook de mening van Zola, die als criticus de nieuwe kunst van Manet en de impressionisten hartstochtelijk verdedigt. Voor Cézanne heeft hij soms lovende woorden over en de publicatie in boekvorm van zijn eerste kunstkritieken (Mon Salon, 1866) draagt hij aan hem op. Pas veel later (rond 1900) realiseert hij zich dat hij het werk van zijn vriend al die tijd toch onvoldoende had begrepen.

Uit de briefwisseling blijkt dat beiden vaak over kunst en literatuur moeten hebben gesproken. Helaas is daarvan in de brieven verder weinig te merken. De waarde van de correspondentie ligt vooral in het feit dat die er was, schrijft samensteller Henri Mitterand (1969), als bewijs van hun vriendschap en van de steun die zij aan elkaar hebben gehad, ondanks grote artistieke verschillen.

Zola’s naturalisme en Cézanne’s eigenzinnige schilderkunst die naderhand als voorloper aan het kubisme is gekoppeld, hadden eigenlijk alleen hun romantische start gemeen, getuige de jeugdige passie voor de poëzie van Lamartine, Hugo en Musset. Als we ook nog letten op het verschil in karakter tussen de serieuze, gedisciplineerde Zola en de driftige, vaak onzekere Cézanne, dan is het niet zo vreemd dat gaandeweg een zekere verwijdering is ontstaan, in weerwil van de warme herinnering aan hun gedeelde jeugd. Maar een dramatische breuk is natuurlijk filmisch veel interessanter dan een geleidelijk uit elkaar groeien.

Dat het verhaal van die breuk in de wereld is gekomen, heeft waarschijnlijk ook een politiek motief gehad. In de Provence was Cézanne weer een gelovig katholiek geworden en tijdens de Dreyfus-affaire stond hij aan de kant van kerk en leger, evenals de zegslieden aan wie we de kennis danken van zijn verontwaardiging over Zola’s roman L’oeuvre. Mogelijk hebben zij de negatieve uitlatingen over de dreyfusard Zola (J’accuse) aangedikt zo niet verzonnen. Zola zou een zelfingenomen bourgeois zijn geworden, bij wie de echte kunstenaar Cézanne zich niet meer welkom voelde.

Ook destijds kon de politiek een vriendschap verpesten, zij het niet helemaal. Want toen Cézanne in 1902 hoorde van Zola’s overlijden, moet hij spontaan in snikken zijn uitgebarsten om zich vervolgens op te sluiten in zijn atelier waar men hem de hele dag hartverscheurend hoorde ‘jammeren en kreunen’ over zijn gestorven vriend.