Recensie

Het mooiste raadsel van de Nederlandse literatuur

A. Alberts De schrijver A. Alberts kon (net als zijn personages) verdwijnen als geen ander. Wat kan een biograaf uitrichten met een weergaloos verdwijnende hoofdpersoon?

A. Alberts op kantoor bij De Groene Amsterdammer, jaren zestig Foto Philip Mechanicus

‘Zo is het.’ Een zinnetje dat een mens af en toe voor zich uit mompelt om even stil te staan bij iets wat niet meer verandert. Het komt vaak voor in het werk van A. Alberts, zo vaak dat literatuurcriticus Kees Fens er eens een stuk aan wijdde. Meestal gebruiken de Albertskarakters het zinnetje in berustende zin, als een voortzetting van hun zwijgen, want dat kunnen ze als geen ander. ‘Meer dan die „tautologische” bevestiging van het bestaan valt er misschien ook niet te zeggen’, schreef Fens.

A. Alberts (1911-1995) is het mooiste raadsel van de Nederlandse literatuur. Hij is de schepper van een niet zo heel groot oeuvre van verhalen en korte romans, waarbij De eilanden (1952), De vergaderzaal (1974) en De honden jagen niet meer (1979) behoren tot de hoogste toppen van wat hier na de Tweede Wereldoorlog is geschreven.

Nu ja, toppen… Dat is een woord dat helemaal niet bij Alberts past. Hij is een schrijver van kleine woorden, en weinig woorden bovendien. Zijn personages hebben nooit een grote mond, het zijn aardige mensen bij wie je je bezorgd afvraagt of ze wel gedijen in een wereld die vergeven is van de opscheppers.

Zoals meneer Dalem, de held uit De vergaderzaal, deelnemer aan een wekelijks terugkerende zielloze vergadering met mensen die een grotere mond hebben dan hijzelf. Dalem wordt gekarakteriseerd als iemand die er ‘uit beleefdheid nog wel met zijn gedachten bij zou zijn’, maar op een dag wordt het hem te veel. Hij zegt wat vreemde dingen, verlaat de vergadering, bevangen door een plotseling gevoel van helderheid. Hij zwerft door de stad, raakt erg in de war, sterft bijna en keert pas na maanden terug. In de laatste scène kijken Dalems medevergaderaars uit het raam als hij voor het eerst weer uit zijn tram stapt. ‘Hij keek naar boven. Toen ze zagen dat hij naar boven keek, deden ze allemaal een stap terug.’ Einde. Boek dicht. Keel ook.

Het slot van De vergaderzaal is zo mooi omdat het niet alleen de angst van Dalem toont, maar ook de schaamte van de anderen, die waaraan niemand zich kan onttrekken. Zo gaat het steeds bij Alberts, die een wereld schetst waarin iedereen misplaatst is, niemand kwaad in de zin heeft, maar er toch van alles mis gaat. Waarna je aan het slot inderdaad niet veel méér kunt zeggen dan: zo is het.

Diplomatiek

Dat legt Alberts allemaal niet uit, natuurlijk. A. Alberts legde nooit iets uit, hij liet dingen weg. Bernlef beschreef ooit de omweg die al het werk van Alberts kenmerkt: ‘Je zou kunnen zeggen: het echte verhaal bestaat al (maar kan niet worden verteld) en wat Alberts doet is een ander verhaal vertellen dat als een vingerwijzing voor de goede verstaander naar het echte verhaal wijst.’

Zijn personages kunnen verdwijnen als geen ander – of misschien als Alberts zelf, die de gewoonte had zich beminnelijk, bescheiden en diplomatiek op te stellen. ‘Alberts is de schrijver van het weergaloos verdwijnen’, schrijft Graa Boomsma (1953) in zijn deze week verschenen biografie, Leven op de rand. Boomsma schreef het boek in eerste instantie vanuit bewondering: hij zat zelfs in de jury die Alberts in 1995 op de valreep (het zou ook Alberts’ sterfjaar blijken) de P.C. Hooftprijs gaf.

Wat kan een biograaf uitrichten met een weergaloos verdwijnende hoofdpersoon? Alberts’ imago is altijd in overeenstemming geweest met de toon van zijn werk. Een vriendelijke man, zelden opgewonden, die zich uit dreigende intimiteit redde met een vleugje ironie. Dat beeld wordt door Boomsma niet aangetast. In vierhonderd pagina’s loopt hij het leven van de schrijver na. Bert Alberts was een zeemanszoon die in Utrecht indologie studeerde (waar hij Leo Vroman en Anton Koolhaas leerde kennen) en korte tijd als gedetacheerd Nederlands ambtenaar in Parijs werkte. Hij promoveerde op de staatsmannen Baud en Thorbecke en werd in 1939 bestuursambtenaar in Nederlands-Indië. Tijdens de Japanse bezetting belandde hij in een gevangenenkamp, na de oorlog was hij afwisselend ambtenaar, secretaris van een handelsonderneming, en redacteur van De Groene Amsterdammer (Boomsma vraagt terecht veel aandacht voor de vaak vergeten stukken die Alberts in dit blad publiceerde). Hij debuteerde laat (op zijn 41ste) en trouwde nog later (in 1953, met de bijna twintig jaar jongere Fientje Blijboom). Het huwelijk bleef kinderloos.

Een afwisselend leven, maar op het oog niet veel opwindender dan de boeken die eruit voortkwamen. Alberts had één geheim, zo blijkt uit Leven op de rand en het is een geheim als een Albertsverhaal. Toen hij eind jaren dertig in Parijs werkte als ambtenaar, werd hij verliefd op de Nederlandse Liesbeth Dobbelmann, de jongere zus van een jeugdvriend van hem. Maar, zoals de meeste Albertskarakters was Bert verlegener dan goed is in de liefde.

Dat werd pijnlijk duidelijk toen Liesbeth zwanger raakte van een andere, doortastender man – die echter niet van plan was zich ook op papier aan haar te binden. Alberts toonde zich van zijn meest ridderlijke kant: hij bood aan met Liesbeth te trouwen. Het paar ging eind 1938 in ondertrouw. Van een huwelijk kwam het niet, er restten slechts de woorden ‘Scheeve neus’ die Liesbeth in Alberts’ paspoort schreef onder de noemer ‘bijzondere kenmerken’.

Bewonderenswaardig

Een cadeautje voor een schrijver, maar in de tweehonderd pagina’s memoires die Alberts over zijn Parijse periode schreef (eerst gepubliceerd als De Franse slag, later als Aan Frankrijk uitgeleverd) beperkt hij zich tot geestig verwoorde kantoorzaken. Pas in de laatste jaren van zijn leven begon hij aan De dreiging, een roman die eind jaren dertig in Parijs speelt met een Albertsachtige hoofdpersoon, Eugène. En waarin een vrouw voorkomt, een zekere Catherine. Nadat ze samen getuige zijn geweest van een antisemitisch incident in een theater, nemen ze de tram. ‘Catherine keek naar Eugène en ze zag, dat Eugène naar haar keek. Cluny, uitstappen, de hoek om en door de rue St. Jacques, langzaam naar boven, naar huis. Wiens huis? Wiens kamer? Alleen? Samen? Ze gaven elkaar een arm.’

En dan… Dan breekt het manuscript af. Alberts zou niet verder schrijven en De dreiging onvoltooid laten. Het gefnuikte Parijse liefdesverhaal is typisch het soort biografische anekdote dat de lezing van Alberts’ werk verdiept. Zo staan er in ‘Groen’, het magistrale openingsverhaal van De eilanden, een paar verwijzingen naar de obsessieve gedachten aan ‘een meisje’ van de in de Indische verlatenheid gestationeerde hoofdpersoon. Die gedachten komen na het lezen van Leven op de rand ineens een stuk sterker naar voren. Toen Alberts in 1939 naar de Oost ging, zat hij met zijn gedachten ongetwijfeld nog bij Liesbeth, die slechts gekscherend in zijn paspoort wilde staan.

Er is meer in het werk van Alberts dat je helderder ziet na het lezen van zijn levensverhaal. De cirkelbeweging die al zijn verhalen kenmerken, kun je zien als een verbeelding van een wereldbeeld, maar ook als iets tekenends voor een zeemanszoon. Zeelui keren immers ook (bijna) altijd weer terug. (En laten onderweg altijd iets achter, staat in De honden jagen niet meer). En de vele malen waarop Alberts’ karakters naar de fles grijpen, hangen vast samen met de neiging van de auteur om niet zelden niet weinig te drinken. En dan niet thuis te durven komen.

Boomsma heeft alles wat er door en over Alberts geschreven is, bewonderenswaardig bijeengebracht, maar Leven op de rand is meer het boek van een literator dan van een historicus. Niet alleen staat er het een en ander aan slordigheden in (dingen die tweemaal verteld worden, onduidelijke brontoewijzingen, verspringende sterfjaren), de biograaf laat zich wel heel nadrukkelijk leiden door het gepubliceerde werk van Alberts. Ongepubliceerd materiaal (zoals brieven, die hij toch vaak geschreven moet hebben) bevat het boek nauwelijks, het aantal bronnen uit de tijd zelf is zeer beperkt, waardoor Alberts op afstand blijft.

Ook voerde Boomsma een relatief gering aantal gesprekken met mensen die Alberts hebben gekend. Dat alles maakt het moeilijk om achter het beeld te kijken dat Alberts van zichzelf schetste. Wat school er achter dat beminnelijke gezicht? Zo wordt de biografie ook een beetje een verhaal dat verwijst naar een echt verhaal, maar het net niet is.

Juist op de plaatsen waar Boomsma wel wat dieper heeft gegraven, komen fijne details naar boven. Zo vinden we in een van de noten de anekdote dat Alberts zo graag naar Swiebertje keek en naar De Bonte Dinsdagavondtrein luisterde. Het is een prachtig beeld. Terwijl de zogenaamde ‘grote drie’ druk waren elkaar van het literaire apenrotsje te duwen, zat de grootste naoorlogse schrijver van Nederland hand in hand met zijn vrouw naar De Bonte Dinsdagavondtrein te luisteren.

Huiselijke omstandigheden bepaalden Alberts’ doen en laten wel vaker. Zo waren er zorgen om geld, ook al omdat Fientje geen inkomen had, maar wel religieuze kunst verzamelde. Toen Alberts in 1965 De Groene verruilde voor het ministerie van Buitenlandse Zaken, deed hij dat slechts om zijn pensioen – en in het verlengde daarvan om dat van zijn vrouw.

Alarminstallaties

Angst was hier dus de raadgever, waarbij we maar even in het midden laten hoe goed of slecht die raad was. Feit is dat dezelfde angst voor financiële tekorten Alberts na zijn pensionering tot grote productiviteit aanzette, met een handvol prachtboeken als gevolg. Intussen moesten er ook extra rekeningen worden betaald voor alarminstallaties omdat Fientjes liefde voor kunst gelijk op ging met haar angst voor inbrekers.

Angst keert in vele gedaanten terug bij Alberts. Zijn personages zijn voor bijna alles bang geweest: de zee en het bos, de liefde en de eenzaamheid. Maar één angst komt het sterkst naar voren: de angst voor jezelf, de angst om gek te worden. Zie De vergaderzaal, zie de hoofdpersoon van ‘Groen’, zie de jonge Aart Ducroo die in De bomen vier keer luid ‘Zo is het!’ tegen de bosrand roept. Die angst (en de vlucht voor die angst in het glas) heeft veel veroorzaakt en zal vast de reden zijn dat de biograaf zijn boek Leven op de rand heeft genoemd.

Boomsma citeert een gesprek met K. Schippers, die Alberts ooit in De Balie interviewde voor de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. ‘Hij zag er uiteindelijk van af om Alberts op de man af te vragen of hij wel eens „gek” was geworden of bang was gek te worden. Schippers durfde het niet aan omdat de 75-jarige schrijver tijdens het vraaggesprek bijzonder kwetsbaar leek.’ De vraag niet stellen, was hem beantwoorden.