Interview

Een leven lang geobsedeerd door de dood

Katie Roiphe

De Amerikaanse schrijfster, een leven lang geobsedeerd door de dood, schreef een persoonlijk boek over het sterven van zes schrijvers. ‘Ik vertelde dat ik een boek over de dood maakte. Wat klonk dat overambitieus en deprimerend!’

Katie Roiphe: ‘Veel mensen die ik sprak hadden hoop op een laatste gesprek met hun vader, moeder, echtgenoot, vriend’
Foto Lars van den Brink

Ik hoorde voor het eerst over Katie Roiphe’s Het uur van het violet tijdens een Amerikaanse road trip. Die had me langs plekken gevoerd die door de dood gebrandmerkt zijn: de rivier waarin zanger Jeff Buckley verdronk, de huizen waar Ernest Hemingway en Kurt Cobain zich door het hoofd schoten, Paisley Park, waar Prince levenloos was aangetroffen in een lift. Ik belandde op een eiland waar geen slaapplaats te vinden was, en bracht de nacht door in mijn auto. Mijn enige gezelschap was NPR, de publieke radio. En weer ging het over de dood. Specifieker: over Katie Roiphe’s onderzoek ernaar aan de hand van het werk en de laatste dagen van Susan Sontag, Sigmund Freud, John Updike, Dylan Thomas, Maurice Sendak en James Salter. Een gedeelde obsessie.

Driekwart jaar later tref ik haar in het Amsterdamse Ambassade Hotel. Het is een koude winterdag. Roiphe (1968) probeert zich te warmen aan een kop thee. Op de achtergrond klinkt kabbeljazz.

Haar fascinatie komt voort uit een bijna-sterfgeval, vertelt ze. Haar eigen, op twaalfjarige leeftijd. In Het uur van violet schrijft ze erover. ‘Ik heb 41,5 graden koorts. Mijn moeder had me thuis in een badkuip met ijsklontjes gelegd. Op de intensive care krijg ik buisjes of slangen in mijn armen; er zijn lieve en nare verpleegsters. Een leerling-verpleegster steekt een naald in een slagader om mijn zuurstofwaarden te meten. In het bed naast me houdt het hartje van een baby op met kloppen. Dat is het moment waarop ik aan dit boek begin.’

„Ik schreef notitieboekjes vol over de dood,” herinnert ze zich, „en ik ontwikkelde een vreemde fascinatie voor boeken over genocide. Maar de plotselinge dood van mijn vader was de directe aanleiding echt aan het werk te gaan. Hij was tweeëntachtig, maar in goede gezondheid, en nog altijd werkzaam als arts. Een sterk gestel. En toen die hartaanval.”

Ze wilde dichterbij zijn dood komen, maar via een omweg. Ze koos ervoor te schrijven over mensen die de confrontatie met hun sterfelijkheid onder woorden wisten te brengen op een wijze die weinigen gegeven is. Zo hoopte ze de dood te fixeren op papier.

Het boek nam uiteindelijk zeven jaar in beslag. „Omdat het veel research vroeg. Interviews met betrokkenen, het uitkammen van oeuvres. Ik wilde nauwkeurig kijken en had details nodig. Steeds wilde ik opgeven. Dan was ik op een feestje en hoorde ik mezelf weer zeggen: ik werk aan een boek over de dood. Wat klonk dat overambitieus en deprimerend!”

De dood is een private aangelegenheid.

„Ik voelde me een voyeur. Waarom doe ik dit? Wat wil ik hiermee? Waarom breng ik die ander in de situatie dat hij of zij over verlies moet spreken? Ik had het gevoel dat ik de persoonlijke ruimte van nabestaanden binnendrong. Maar mijn obsessie dwong me.”

Hoe gingen zulke gesprekken met nabestaanden?

„Vaak zei iemand: daar wil ik het niet over hebben, om vervolgens uren aan een stuk door te praten. Juist omdat het een onderwerp is waarover je niet geacht wordt te spreken, zien mensen een vreemde als een mogelijkheid hun hart te luchten. Ik was de ideale vreemde, want intens geïnteresseerd in wat ze te vertellen hadden en goed ingevoerd in het werk van deze schrijvers. Bovendien hielp het dat ik zo’n klunzige interviewer ben. Martha Updike, John Updike’s laatste vrouw, had met geen enkele biograaf willen spreken. Maar de e-mail die ik haar stuurde was zo pathologisch verontschuldigend, dat ze toezegde. Ik kreeg de indruk dat sommige mensen míj een beter gevoel probeerden te geven, omdat ze me zagen lijden.”

In Het uur van het violet haalt Roiphe Susan Sontag aan, die schreef dat je net zo min strak naar de dood kunt kijken als in de zon. Ik vertel over mijn grootmoeder, die onlangs overleed. Ik hoorde dat ze had gezegd: ‘Ik wil eruit.’ Als ik die zin voor Roiphe vertaal, treft me het dubbele ervan. ‘I want out’ Maar ook: ‘I wanna get up.’ Geen idee wat ze daadwerkelijk gedacht heeft, of gewild.

Roiphe knikt. „Freud schrijft over de onmogelijkheid je je eigen dood voor te stellen. Maar dat geldt ook voor andermans dood. Je hebt geen toegang tot dat hoofd, die unieke ruimte. Die wetenschap vormt het hart van het boek. Dat je dichtbij kunt komen, maar nooit tot ín het moment.”

Zoals bij de dood van uw vader.

„Toch is het me wel duidelijker geworden. Tot mijn schrik, overigens, want ik had allerlei mogelijkheden weggedrukt. Dat hij bang was. Dat hij pijn had. Het besef dat hij niet vredig is gegaan, schokte me, maar ik voelde me ook bevrijd.”

Met dank aan James Salter.

„Salter, die enige maanden na ons gesprek zelf aan een hartaanval zou overlijden, was tough as nails. ‘Ik denk nooit over de dood’, zei hij. Wat me stug leek, gezien zijn werk en hoge leeftijd. Toen begon hij over mijn vader te spreken, als over een romanpersonage. Hij ontsluierde hem, zonder rekening te houden met mijn gevoeligheid, en ‘schreef’ het verhaal van een hartaanval accurater dan ik ooit zou kunnen. Ik weet nog dat ik weigerde toen de artsen me vroegen of ik mijn vaders lichaam wilde zien. Nu heb ik er op een bepaalde manier alsnog een blik op geworpen. En het is waar: zodra je datgene wat je vreest recht aankijkt, ebt de paniek weg. Sendak schreef daar iets moois over, nadat hij tegen heug en meug een stervende vriendin had bezocht. Ik heb naar dit ding gekeken dat ik vreesde, en vreemd genoeg zag ik schoonheid. Daar denk ik vaak over na. Het opbeurende en opwindende van kijken naar de dood.”

Doodsangst is zelfgericht. Misschien dat de dood van anderen duidelijk maakt dat je deel bent van een keten van levens, waardoor je je minder geketend weet aan het eigen lichaam.

„Maar dat is zo moeilijk! Omdat de strijd die je voert intens is. Ik wil niet sterven, ik wil niet, gewoon niet! En ja, loskomen is dan een geweldig gevoel. Updike schrijft in een gedicht over de speldenprikjes van ego’s die doven, en hoe je daar van bovenaf naar kan kijken, met afstand, en dat het oké is. Dat punt bereiken, waarop de paniek taant, is bijna lichtgevend.”

De aansnellende dood maakt veel van de mensen die u beschrijft niet sympathieker.

„Toch kreeg ik geen hekel aan ze. Susan Sontag is een goed voorbeeld: zeer egoïstisch. Maar ik wil de dood bestuderen, geen oordeel vellen. Sommige mensen zeggen dat zij het schoolvoorbeeld is van hoe níet te sterven. In haar bijna competitieve drang te blijven leven, doet ze zichzelf gruwelijke behandelingen aan. En iedereen moet zich voegen naar haar fantasie dat ze de uitzondering is. Toch zie ik er iets heroïsch in. Die wilskracht is exemplarisch voor haar leven en werk.”

Werk is bijna kunstmatige beademing voor deze schrijvers. Het houdt ze op de been.

„Updike sprak over het vermogen pijn in honing te veranderen. Ik denk vaak na over dat citaat: de gave iets vreselijks om te zetten in iets schitterends. Maar het is ook wat schrijvers tot slechte mensen maakt. Ze zijn losgezongen van hun leven. Neem Updike, die zijn scheiding gebruikte voor een boek en de betrokkenen zo flinke schade berokkende. Is dat goed of slecht? Updike bleef schrijven, ook op zijn sterfbed. Als je naar zijn handschrift kijkt, zie je het gevecht. Zijn vrouw vertelde me dat hij op een zeker moment zijn hoofd te rusten legde op zijn typemachine en zei: ‘Ik kan niet meer.’ En dat zij zei: ‘Nog één boek’. En zo geschiedde.”

Dat heeft een keerzijde: ze zijn nog steeds niet echt beschikbaar voor hun naasten. Die zich tekort gedaan voelen. Hun hele leven hebben ze de strijd aan moeten gaan met die kracht, het werk, en zelfs nu…

„Veel mensen die ik sprak hadden hoop op een laatste gesprek met hun vader, moeder, echtgenoot, vriend. Een bijna literaire fantasie: want dat gesprek zou alles duidelijk maken en goedmaken. David Rieff, Susan Sontags zoon, hoopte op excuses, net als Updike’s kinderen. Vergeefs. De dood verandert iemands persoonlijkheid niet. Updike’s kinderen was niet eens een afscheidsmoment gegund – Martha stuurde ze gewoon weg. Maar ergens orkestreerde Updike die situatie zelf. Het had precies zo in zijn werk gepast.”

Wie wil zo’n gesprek op zijn sterfbed? Het betekent een confrontatie met pijnlijke waarheden. Zeker voor schrijvers, die u, ook schrijver, typeert als slechte mensen.

„Of ik dus een slecht mens ben? Hm… Mijn vorige boek heet Lof van een rommelig leven, en ik heb absoluut een rommelig leven. Denk aan de vele vaders van mijn kinderen.”

Maar voelt u zich schuldig? Over uw werk? Het afwezig zijn?

„Ik ben behoorlijk aanwezig, geloof ik. Ik voel me schuldiger over de wijze waarop ik mijn leven meedogenloos als materiaal gebruik.”

Ziet u deze schrijvers als voorbeeld?

„Updike’s idee dat je sterfelijkheid met overspel kan bestrijden, spreekt me aan: dat je uit je leven kan stappen en meer levens kan leiden. Ik heb zelf geen affaires gehad, maar dat verdubbelen van een leven intrigeert me.”

Wat de kern van schrijven is: het scheppen van een tweede wereld.

„En ook mijn rommelige leven komt voort uit die impuls. Ik wil vooral méér leven. Dat kan uiteindelijk niet, maar ik doe een vermetele poging.”