Recensie

Meer zwierigheid zou Kaapse Maria niet misstaan

Foto Rien Zillvold

Ergens halverwege de avond vraag ik het dan toch maar. Klopt mijn veronderstelling nou dat Kaapse Maria nog niet helemaal af is? Zitten we boven een theelichtje aan een kantoortafel, omdat het geld voor de aankleding van het restaurant ontbreekt? Of word ik nu werkelijk te oud en snap ik om die reden mogelijk het ‘concept’ niet meer? Het antwoord laat zich meteen aflezen aan de verwonderde blik van het meisje dat ons bedient. De verdieping waarop we met nog een ander gezelschapje zijn geposteerd, ziet er wel degelijk uit zoals ze is bedoeld. Kaal op een enkele kamerplant en bloemenvaas na, en gehuld in een tamelijk onaantrekkelijk halfduister.

Waardoor de conclusie dus niet anders kan luiden dan dat ik de millennials die Kaapse Maria een paar maanden geleden openden zeer waarschijnlijk niet meer begrijp. Over de wijze waarop je een etentje-in-de-stad kunt uittillen boven een doordeweekse maaltijd op een studentenkamer, houden we er tenminste heel uiteenlopende ideeën op na. Misschien ook dat we hadden moeten opteren voor een plek op de benedenverdieping. Daar oogt het restaurant merkwaardig genoeg weer ‘gewoon’ als een bruin eetcafé en ontbreekt in elk geval dat Overtoom-meubilair.

Kaapse Maria is een spin-off van bierhal Kaapse Brouwers in de Fenix Food Factory. In de keuken staan ‘Olmo & Bram’, zo lezen we op de menukaart, die zich erop laten voorstaan dat ze ‘graag dingen maken’, zoals ‘Japanse messen’ en het ‘tapsysteem’ van de nieuwe zaak. ‘Als het op eten aankomt’, betonen ze zich als kennelijk beginnende koks nog wat bescheidener: ‘We willen weten hoe het traditioneel gemaakt wordt, en waarom op deze manier?’ De jongens opereren met andere woorden een ‘craftkitchen’, zoals het elders op hun kaart heet.

Zo’n term versterkt de indruk dat we, behalve proefzitten, in Kaapse Maria tevens gaan proefeten. Chef Olmo zal ook niet voor niets met zo’n bandana uit een Japanse karatefilm om zijn hoofd lopen: in die uitmonstering lijkt hij méér dan bereid om bij deze en gene gast wat conservatieve opvattingen over goed en lekker eten uit te benen, c.q. te fileren. Maar als we een aantal van zijn kleine foodpairing-gerechtjes hebben laten doorkomen, blijkt die craftkitchen zo verontrustend nog niet.

Wat er op de bordjes komt is allemaal redelijk vertrouwd. Om niet te zeggen: oude wijn in nieuwe zakken. Het in boter gebakken scholletje (11 euro) dat mijn tafelgenote en ik gezamenlijk oppeuzelen, is ook met zijn Aziatische dashi-dip nog steeds hetzelfde sympathieke maar vooral doodeenvoudige visje. En hetzelfde mag gelden voor de charcuterie van hammen en worst (klein 7 euro). Leuk dat ze ook bij Kaapse Maria in huis worden gedroogd, maar de gemiddelde millennial zal er toch niet meer koud of warm van worden.

De vegetarische coquilles van langzaam gegaarde rettich met miso-boter (‘Een Canadees gerecht dat probeert Frans over te komen’; 6 euro), zijn wat mij betreft dan net weer wat te flauw en té alternatief, terwijl de halfgerookte makreel (7 euro) juist vanwege zijn veel te pregnante smaak ook half weer mee terug mag naar de craftkitchen. De mini-steam buns met buikspek en hoisin (7,50 euro) mogen er wel wezen, maar die kenden we in Rotterdam natuurlijk al van Kevin Fan van Asian Glories. Van de Gyozas-dumplings, gevuld met kip, varkensvlees en kaas (7 euro), bestellen we aan het eind van de maaltijd nog maar eens zes stuks. Ze zijn lekker, geen onvertogen woord erover, maar wat meer is: ze voeden de maag noodzakelijkerwijs en op de valreep tevens nog een beetje bij. Want zelfs een food pairing-sessie voor een bedrag van 60 euro kan bij het afrekenen het buikgevoel niet wegnemen dat we aansluitend nog naar een restaurant moeten om er te gaan eten.