Recensie

Lenin zag niets in avant-garde

Expositie

100 jaar na de Revolutie brengt de Royal Academy Russische kunst bijeen uit de periode 1917-1932.

Alexander Deineka, Voetbal, 1924. Olieverf op doek, 104 x 113 cm. Collectie Vladimir Tsarenkov

Het is al gauw duidelijk op Revolution: Russian Art 1917-1932 in de Royal Academy in Londen: dit is niet de zoveelste tentoonstelling die de Russische avant-garde afschildert als het kunstzinnige equivalent van de Oktoberrevolutie. In de eerste drie zalen van het Burlington House is geen spoor te bekennen van de abstracte, ‘suprematistische’ schilderkunst van Kazimir Malevitsj of de constructies van Vladimir Tatlin, de twee groten van de Russische avant-garde.

Er hangen louter werken in min of meer realistische stijl, zoals het bijna foto-realistische Lenin in Smolny van Isaac Brodsky, een leerling van Ilja Repin die in Stalins Sovjet-Unie zou uitgroeien tot een van de kunstpausen.

Wel worden de schilderijen, in totaal meer dan tweehonderd topwerken uit Russische collecties, begeleid door fragmenten uit de revolutionaire films van Sergei Eisenstein en Dziga Vertov en door constructivistische gebruiksvoorwerpen en architectuur, zoals een interieur op ware schaal van het Narkomfingebouw in Moskou uit 1930, het beroemde, modernistische communehuis in de Sovjet-Unie.

Vladimir Lenin in Smolny, 1930. Olieverf op doek, 190 х 287 cm. Isaak Brodsky

In de afgelopen decennia hebben tentoonstellingen als De Grote Utopie in het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1992 en Building The Revolution, ook in The Royal Academy in 2011, de indruk gewekt dat de machtsgreep van de bolsjewieken in 1917 leidde tot een ongekende bloei van avant-gardistische kunst. Revolution: Russian Art 1917-1932 is een grondige correctie van dit beeld.

De ‘burgerlijke’ schilderkunst

Zeker, Malevitsj, Tatlin en vele andere avant-gardisten zagen overeenkomsten tussen de revolutie in de kunst die ze zelf in het laatste decennium van het tsaristische Rusland hadden ontketend en de Oktoberrevolutie die dit jaar een eeuw geleden plaatsvond. In hun enthousiasme over de Revolutie zwoeren ‘constructivisten’ als Alexander Rodstjenko, van wie een aantal affiches is te zien, de ‘burgerlijke’ schilderkunst zelfs helemaal af en wierpen zich op het ontwerpen van nuttige dingen als meubels, kleding en kachels. In ruil voor hun steun aan het communistische regime werden ze beloond met docentschappen aan hogescholen voor kunst en vormgeving.

Toch zagen communistische leiders als Lenin en Trotski eigenlijk niets in avant-gardistische kunst en constructivistische vormgeving. Niet alleen hielden ze er zelf niet van, maar ook wisten ze zeker dat boeren en arbeiders er niets van begrepen. Maar doordat ze het in de eerste jaren na de Revolutie druk hadden met een bloedige Burgeroorlog tussen Roden en Witten en het behoud van de macht, lieten ze de avant-gardisten hun gang gaan. Zodra de Witten in 1922 definitief waren verslagen, raakte de avant-gardistische kunst echter steeds meer in het gedrang om ten slotte in het begin van de jaren dertig onder Stalin van het toneel te verdwijnen.

De tekst gaat verder na de video

Sommige avant-gardisten hadden al vroeg door dat ze niets te zoeken hadden in de eerste boeren- en arbeidersstaat. Vasili Kandinsky, de pionier van de abstracte schilderkunst van wie nu twee expressionistische werken uit 1917 in Londen hangen, verliet de Sovjet-Unie zodra de Burgeroorlog was beëindigd. Marc Chagall, ook vertegenwoordigd met twee schilderijen, emigreerde ook onmiddellijk.

Uitgangspunt voor Revolution: Russian Art 1917-1932 is de overzichtstentoonstelling 15 jaar kunstenaars van de Russische Sovjetrepubliek die in 1932 in Moskou werd gehouden. In de vierde van de tien thematische zalen is, aan de hand van een foto uit 1932, een reconstructie gemaakt van het deel van de expositie dat toen aan het werk van Malevitsj was gewijd. Dertig schilderijen, waaronder zijn beroemde Zwarte Vierkant, en architektons (architectuurmodellen) mocht Malevitsj toen tentoonstellen. Het was voor het laatst: na het overzicht van vijftien jaar Sovjetkunst werd avant-gardistische kunst verbannen naar de kelders van de musea.

Stilistische verscheidenheid

Ook de zaal die aan het werk van de in het Westen tamelijk onbekende Kuzma Petrov-Vodkin is gewijd, is een reconstructie van een deel van de Moskouse expositie in 1932, het jaar waarin alle kunstenaarsverenigingen in de Sovjet-Unie werden opgeheven en vervangen door een eenheidsvakbond. Petrov-Vodkin werd het Leningradse hoofd van de bond, die in 1934 het socialistische realisme voor alle kunstenaars verplicht stelde. Toch was er in de eerste jaren na de invoering van het socialistisch realisme nog wel ruimte voor stilistische verscheidenheid, zo is nu in Londen te zien. Zo hebben de stillevens van Petrov-Vodkin, een van de vele ontdekkingen van Revolution: Russian Art 1917-1932, eigenlijk helemaal niets te maken met de ‘verbeelding van het socialisme in zijn dialectische ontwikkeling’, zoals een van de definities van het socialistisch realisme luidt.

Probleem van tentoonstellingen van Sovjetkunst is altijd hoe de bezoeker duidelijk moet worden gemaakt dat veel van de kunstwerken, hoe goed ze ook zijn, uiteindelijk propaganda zijn voor een totalitair, misdadig regime. In de Royal Academy hebben de makers dit heel eenvoudig opgelost door in de laatste zaal, die met onder meer enkele schitterende sportschilderijen van Alexandr Dejneka is gewijd aan het thema ‘Stalins Utopie’, een zwarte Kamer der Herinnering te plaatsen. Hierin worden tientallen arrestatiefoto’s geprojecteerd van boeren, kunstenaars, arbeiders, hoogleraren en partijleiders die in de jaren dertig verdwenen in de Goelagarchipel. De meesten van hen werden tijdens de Grote Terreur van 1936-37 geëxecuteerd.