‘Ik wantrouw elke ontwerper die nog vazen maakt’

Onder de nieuwe directeur Timo de Rijk gaat het Stedelijk Museum Den Bosch zich specialiseren in design.

Foto Frank Ruiter

Dutch Design vindt hij vaak „verschrikkelijk saai” en over de wijze waarop grote musea met vormgeving omspringen is hij kritisch. Oud-hoogleraar designgeschiedenis Timo de Rijk (1963) trad half september aan als directeur van het Stedelijk Museum Den Bosch, dat zich gaat specialiseren in design. Zaterdag opent de eerste tentoonstelling die onder leiding van De Rijk tot stand is gekomen: over radicaal design uit Italië.

Een hoogleraar die museumdirecteur wordt. Is dat een logische stap?

De Rijk: „In het verleden wel. Ik wil me zeker niet met hem vergelijken, maar Wim Crouwel is ook van de TU Delft naar Boijmans overgestapt. En Henk van Os ging van de universiteit nota bene naar het Rijksmuseum. Maar de afgelopen twintig jaar is de band tussen de academische en de museale wereld steeds losser geworden.”

Wat voor achtergrond hebben museumdirecteuren nu dan vaak?

„Ze hebben carrière in de museumwereld zelf gemaakt. Als conservator, maar soms ook op educatief of financieel terrein. De nieuwe directeur van het museum in Schiedam was fondsenwerver bij Boijmans. Directeuren die van buiten de museumwereld komen, hebben vaak een commerciële achtergrond. Niet vreemd als je verlangt dat ze cultureel ondernemer zijn. In mijn geval gold dat overigens niet. De universiteit is ook niet direct een broedplaats voor cultureel ondernemerschap.”

Wat is uw opdracht?

„Toen mijn voorganger René Pingen vorig jaar maart plotseling overleed, heeft de raad van toezicht snel ingegrepen. In Den Bosch woedde een discussie: of het Stedelijk Museum niet moest samengaan met het Noordbrabants Museum. Die musea delen immers één gebouw. De raad vond dat het Stedelijk Museum door de collectie en de tentoonstellingsgeschiedenis het waard was om zelfstandig te blijven. De collectie bestaat uit vormgeving en sieraden. Besloten werd om alleen nog design te laten zien. Ze zochten dus iemand die het designprofiel van het museum verder kan uitbouwen.”

Is een gespecialiseerd designmuseum nodig?

„U vergist zich. Grote musea als Boijmans en het Stedelijk Museum in Amsterdam zijn juist gespecialiseerd. Daar staat beeldende kunst voorop en speelt design een ondergeschikte rol. In de echte wereld is het omgekeerd: bij alle materiële cultuur speelt vormgeving een hoofdrol en is beeldende kunst juist marginaal. Een designmuseum gaat dus over de hele wereld. Daarom verbaast het me zo dat historici zich niet vaker bezighouden met materiële cultuur. Om een of andere reden verdiepen ze zich liever in het huwelijk van Juliana en Bernhard dan in de geschiedenis van de telefoon. Onbegrijpelijk.”

Het Stedelijk Museum Amsterdam heft de designafdeling op en gaat design integreren met beeldende kunst.

„Ik houd mijn hart vast. Bij zo’n combinatie wordt design negen van de tien keer gepresenteerd als een voetnoot of decoratie bij de beeldende kunst. Ik hoop dat ik ongelijk krijg, maar het zou me verbazen als design daar straks een plek krijgt die recht doet aan zijn culturele betekenis. Het Stedelijk moet vieren dat het een geweldige collectie heeft en dat design een volwaardige discipline is.”

Lachend: „Laat ze anders de collectie maar naar Den Bosch sturen.”

U hebt het succes van Dutch Design vaak gerelativeerd en gezegd dat Nederland veel bekende ontwerpers zonder publiek telt. Wat gaat u daartegenover stellen?

„We beginnen met een tentoonstelling over radicaal Italiaans design uit de jaren zestig tot tachtig. Waarom? Ontwerpers als Andrea Branzi en Ettore Sottsass ontwikkelden destijds een radicale nieuwe visie op vormgeving en de maatschappij. Hun architectonische experimenten, utopische woonsuggesties en speels design zijn nog altijd actueel.

„Dutch Design kan verschrikkelijk saai zijn. Een stoel die een reactie is op een vorige stoel, of het zoveelste flauwekulproject met oude ambachten. Ik wantrouw elke ontwerper die nu nog vazen maakt. Die richt zich namelijk op een cultureel publiek, op verzamelaars en musea in plaats van op de wereld. Als je doorvraagt naar de bedoeling zit daar meestal ook niets achter. Dat verontrust me.”

Aan wat voor tentoonstellingen werkt u?

„Aan tentoonstellingen over de cultuurgeschiedenis van eten, over Bart Hess – een ongrijpbare ontwerper – en aan een techniek-expositie over de stroomlijn-vorm: hoe kan een meeuw vliegen en wat maakt een auto snel. Ik zou ook iets willen doen aan de entertainmentindustrie in Brabant. Ik vind de Efteling heel interessant.”

Waar hoeven we niet op te rekenen?

„We zullen niet zo snel solo-overzichten tonen. Ontwerpers veronderstellen dat het de taak van musea is om hun werk zo goed mogelijk te presenteren. Die houding past meer bij de jaren vijftig en zestig. Daarom was ik een paar jaar terug ook zo venijnig over de Marcel Wanders-show in het Stedelijk in Amsterdam. Een curator moet een boodschap hebben met een tentoonstelling. En het museum mag beslist geen galerie worden.”

De laatste avant-garde. Radicaal design in Italië 1966-1988’ van 18 febr t/m 11 juni in Stedelijk Museum Den Bosch. Inl: sm-s.nl