Column

Hermie

‘Ik ben een heiden – ben een heiden – ik ben Grieks – ben Grieks – ik houd van de antieken omdat het geen modernisten zijn – nisten zijn – die in hun hoofd leven – hoofd leven –”. Dit is een gedeelte van de toneeltekst die ik uitspreek in de voorstelling Venus. Op de herhalingen na – herhalingen na. Althans, daar ben ik niet altijd zeker van. De laatste paar voorstellingen word ik geplaagd door iets onhandigs. Ik praat mijn eigen teksten na, in elk geval in gedachten.

Kent u die mensen die, wanneer u met ze spreekt, volledig gefocust zijn op uw mond en je nabauwen? Ik herinner mij een vrouw uit mijn jeugd die een dek verderop woonde. Een dek? denkt u. Ja, een dek. Zo werd de laag asfalt vol grijsbruine bebouwing met meerdere etages en een woonbestemming genoemd die men over betonnen palen had gedrapeerd, opdat men eventuele auto’s en/of huisvuil ‘benedendeks’ kon parkeren. Zo’n buurt waar mensen dromen van een cruise, ja. Maar in Zoetermeer bouwen ze wel zottere dingen.

Omdat smiespelen haar nooit genoeg was, ging ze nog even door.

Een dek verderop dus, woonde een vrouw die ik Hermie zal noemen, omdat ik haar naam vergeten ben en Hermie goed voelt. Wanneer ik naar het winkelcentrum liep passeerde ik haar woning. Dat was in elk geval de bedoeling maar Hermie zat steevast verscholen achter haar witte gordijntjes naar buiten te kijken of er iemand langskwam en wanneer dat het geval leek dan racete ze door haar porseleinen poppencollectie naar de voordeur met een witte Maltezer leeuw op de arm om de arme ziel staande te houden.

Hermie leek op Willeke Alberti, maar dan heel ongelukkig. Ze posteerde zich dan in haar deuropening op beige slofjes om een praatje af te dwingen. (Als Hermie nog leeft dan hangt haar huis nu vast vol met windlichten van de Action en heeft Maltezer leeuw nummer 3 ongetwijfeld snotogen omdat hij steeds moet aanhoren hoe hij toch niet Maltezer leeuw 1 of 2 is; die beide stierven door iets onfortuinlijks, zoals een ongeluk met een vlizotrap of de droger.) Eerst nam Hermie je tamelijk lang en afkeurend van boven tot onder in zich op. Een ongemakkelijke ervaring. Dan stelde ze een vraag, bijvoorbeeld „Wat ga je doen?” Ze had een zeurend stemgeluid, nasaal. De arme hond zat lijdzaam zijn lot te ondergaan. Wanneer je dan, een snottebel ophalend, antwoordde: „Me moeder is boodschappen vergeten.” Dan smiespelde ze met je mee terwijl je sprak. Alsof ze heus al wel wist dat je moeder boodschappen was vergeten.

En omdat het smiespelen haar nooit genoeg was, ging ze dan nog even door. „O ja, wat dan?” En wat voor opsomming er ook kwam, ze bauwde je zachtjes na terwijl ze je mond bestudeerde. „Bouillonblokjes, – bouillonblokjes – vermicelli, – vermicelli”, et cetera. Ik dacht aanvankelijk dat ze me in de maling nam. Maar de grap is nooit ingelost, dus inmiddels vermoed ik iets als Gilles de la Tourette.

Ik heb mij deze week bijna continu ten overstaan van een tamelijk volle zaal afgevraagd of ik dit bij mezelf aan het doen was, hardop. Palilalie heet dat, als je dat echt doet. Klinkt wel gezellig. Toch bijt ik voor de zekerheid op mijn tong wanneer ik in principe uitgesproken ben en dat ding zich toch dreigt aan te spannen. Ik wil geen porseleinen poppencollectie.