Gekissebis

Veel Amsterdammers weten het niet, maar ze wonen in een buitengewoon conservatieve stad. In een linkse, maar desalniettemin – of misschien wel juist daarom – conservatieve stad. Woensdag bleek dat opnieuw. Het conservatisme zat hem in de strijd die anno 2017 nog nodig blijkt te zijn om afscheid te nemen van de laatste restjes basisdemocratie. De strijd werd geleverd in de Stopera en uiteindelijk werd de basisdemocratie niet eens helemaal afgeschaft.

De basisdemocratie was ooit een links plan om het stadsbestuur dichter bij de burgers te brengen. Dat flopte aan alle kanten. De stadsdeelraden die er het gevolg van waren, een soort parlementjes van Noord tot Zuidoost, brachten een weinig verheffende inspraak en bijzonder veel bureaucratie met zich mee. De extra bestuurslaag in de stad zorgde voor misverstanden en competentiestrijd, voor trage besluitvorming. Uiteindelijk werd de knop omgezet, maar helaas gebeurde dat opvallend langzaam, vooral omdat de naar binnen gerichte bestuurselite zich aan de stadsdelen vastklampte als een drenkeling aan een boei. Het inmiddels vertrouwde systeem, hoe slecht ook, moest blijven.

Het kabinet zag zich geroepen om de euthanasie van de stadsdeelraden af te dwingen. En wat deed links-conservatief Amsterdam vervolgens? De stadsdeelraden omdopen in ‘bestuurscommissies’. Zo hoopte het de oude praktijk te kunnen voortzetten. De druk van buitenaf bereikte vorig jaar een nieuw hoogtepunt in de vorm van een verwoestend rapport van Alex Brenninkmeijer. Volgens de oud-Ombudsman leidde het restant van de basisdemocratie tot zorgwekkend veel politiek en bestuurlijk „gedoe”; het zette „de geloofwaardige werking van de Amsterdamse democratie onder druk”. Het stemmen, de inspraak in het reilen en zeilen van het stadsdeel, lijkt iets moois maar het resulteerde van IJburg tot Slotervaart in een politisering „tot op het bot”. Tot ergernis van Brenninkmeijer – en van vele onderzoekers voor hem – zijn de politici van Amsterdam, of ze nu in de Stopera werken of verspreid over de stad, meer met „politiek gekissebis” bezig dan met het zo goed mogelijk bedienen van de inwoners. In een toelichting noemde Brenninkmeijer het bestuur zelfs „pathologisch”. Hij zei: „Amsterdam heeft een praat- en notacultuur, en vindt zichzelf heel bijzonder. Ik noem het bestuurlijk amateurisme.”

Die zat, zou je zeggen. Maar nee. Ondanks de nationale roep om centralisering en transparantie, en ondanks de bagger van Brenninkmeijer was er woensdag een heftig debat in de Stopera voor nodig om het niet-functionerende residu van de basisdemocratie, de bestuurscommissies, bij het grof vuil te zetten.

Door dit alles zullen de burgers niet langer op de bestuurscommissies kunnen stemmen en dat is maar goed ook. De burgers in Amsterdam voelen zich immers niet méér betrokken bij de besluitvorming dan de inwoners van grote steden zónder al die lokale stemlijstjes. Maar dat maakt de gemeenteraad allemaal weinig uit. In een poging te redden wat er te redden viel, is bij wijze van compromis besloten tot de instelling van ‘gebiedscommissies’. U leest het goed. De ruimte ontbreekt hier om uit te leggen wat die gebiedscommissies straks zullen mogen. Gelukkig maar.

Auke Kok is schrijver en journalist.