Recensie

Lou Reed: een sadistische popheld

Biografie

Deze art-rocker, die zo raak en geestig de New Yorkse schaduwwereld bezong, had een vreselijk karakter, waardoor hij veel voor zichzelf verpestte.

Foto Lex van Rossen

‘Heb je al een titel voor je boek?’’ vraagt een van de geïnterviewden aan Howard Sounes, de biograaf van Lou Reed. „Noem het The Hateful Bitch.”

Sounes nam de suggestie niet over - zijn biografie heet Notes From the Velvet Underground. The Life of Lou Reed - maar inderdaad: nog nooit heb ik zo vaak het woord ‘klootzak’ in een biografie gelezen. De Amerikaanse rockzanger was een chagrijnige, manipulatieve bullebak die eerst mensen dicht naar zich toe trok, om ze vervolgens met plezier naar beneden te halen en af te danken. Hij vernederde zijn musici, hij sloeg zijn vrouwen.

Waren dat sterallures, het gedrag van een bewonderde man die te lang alleen maar stroop om de mond kreeg gesmeerd? Of werd zijn gedrag bepaald door de grote hoeveelheden speed die hij gebruikte? Nee, stelt de biograaf, Lou Reed was al een onaangenaam mens lang voordat hij beroemd werd.

Nog nooit heb ik zo vaak het woord ‘klootzak’ in een biografie gelezen

Nergens staat dat grote kunstenaars ook goede mensen moeten zijn, maar voor bewonderaars is het altijd even slikken als een held zo wordt uitgekleed. Als je Lou Reed alleen van zijn muziek kent, dan valt deze karakterschets moeilijk te rijmen met de gevoeligheid, eruditie en humor die hij in zijn songs laat zien. Hoe kan een man die zo liefdevol zong over Andy Warhol in de liederencyclus Songs for Drella, en zo raak over de dood in Magic and Loss (niet de puberaal-romantische dood, maar de echte dood, in een ziekenhuis en een crematorium) een slecht mens zijn?

Dus eerst zijn werk. Lou Reeds band The Velvet Underground (1964-1970) is even invloedrijk als The Beatles – zeker in de alternatieve rock. De enorme invloed van de band loopt van Bowie, punk, new wave, grunge tot duizenden rockbands nu. Popmusicus Brian Eno zei ooit: ‘Van de eerste lp van The Velvet Underground zijn maar 30.000 exemplaren verkocht. Maar iedereen die er een kocht, is zelf een band begonnen.’ Zelfs de Tsjecho-Slowaakse president Václav Havel zei dat de Fluwelen Revolutie was beïnvloed door de muziek van The Velvet Underground.

Luister hier naar de eerste elpee van The Velvet Underground:

Shocktherapie

Reed cultiveerde zorgvuldig het imago van de New-Yorkse bohémien: hij deed alsof hij heroïne spoot op het podium, droeg make-up, zei dat hij homo was (later bi), schopte om zich heen. Dat terwijl hij een joods middenstandskind was uit het slaapstadje Freeport op Long Island. Zijn vader was registeraccountant.

Elk verhaal over Reed begint met de shocktherapie die hij als tiener kreeg, volgens Reed omdat zijn ouders zijn homoseksualiteit de kop in wilden drukken. Vaak schetste hij het beeld van de randstedelijke hel waar geen plaats was voor afwijkende types zoals hij.

Volgens Sounes lag het genuanceerder: Reed had liefhebbende ouders, die zich geen raad wisten met hun zoon. Het zorgenkind had ‘zenuwinzinkingen’ – later werd hij gediagnosticeerd als bipolair – en de artsen schreven elektroshocks voor; niet ongebruikelijk in die tijd.

Zijn bevrijding kwam toen hij letteren studeerde, onder anderen bij de door hem bewonderde dichter Delmore Schwarz. Reed wilde ook dichter worden – samen met Dylan en Cohen behoort hij tot de grote tekstdichters van de Amerikaanse popmuziek. Tegelijk dreef hij op de campus een heroïnehandel. De voorraad verborg hij op de kamer van zijn vriendin, die ook de bestellingen bezorgde, zodat hij zelf buiten schot bleef.

Reed onderscheidde zich verder van de andere studenten doordat hij graag rondhing op Manhattan, tussen de junkies, in zwarte danstenten en in jazzclubs, om naar free jazz te luisteren. Hij ging niet verder studeren, maar ging als lopende-band-componist werken bij een schimmige producent van goedkope albums die op poptrends meesurften.

Minimalistisch gehak

Hij raakte bevriend met altviolist John Cale, die conservatorium had gedaan en samenwerkte met componisten als La Monte Young en John Cage – pioniers van de minimal music. Samen met Cale vormde hij in 1964 The Velvet Underground.

Indertijd vond bijna niemand er iets aan. De band speelde op happenings van Andy Warhol, die de band financierde en ook de bananenhoes van de eerste lp ontwierp. Daardoor kregen ze wel aandacht, maar die was negatief. Critici dachten dat Warhol een persiflage op een popgroep maakte, een provocatie, bedoeld om de mensen de zaal uit te jagen.

De wonderlijke symbiose van Cale en Reed bepaalde het geluid van The Velvet Underground. Reed hield van rock ‘n’ roll en free jazz en schreef pakkende popsongs. Cale bracht de minimal music en experimentele muziek mee. Hij was domweg niet op de hoogte van de rockclichés, waardoor hij altijd verrassend klonk, stelt gitarist Sterling Morisson (die zou eindigen als sleepbootkapitein, maar dat is een ander verhaal).

Ze vonden elkaar in een experimentele aanpak: minimalistisch gehak, muren van noise, een soort free jazz op electrische gitaren, met daarboven de lange uithalen van Cale’s elektrische altviool. Maar dan wel altijd stevig verankerd in de mooie liedjes van Reed. Afgezien van Cale waren de bandleden beperkte musici, waardoor de muziek als vanzelf minimalistisch werd; een primitief, uitgekleed geluid, wat nu nog steeds fris klinkt.

Afgezien van de composities bestond Reeds bijdrage uit zijn Sprechegesang waarmee hij cynisch snerend vertelt over duister New York: de schemerwereld van heroïne, sadomasochisme, prostitutie. Alleen al door die rauwe teksten paste de band niet bij de heersende hippiemode. Zelf benoemden ze het verschil als: ‘hippies zijn weedrokers, wij zijn speedgebruikers’.

Take a walk on the wild side

Succes kreeg Reed pas nadat hij uit de band was gestapt. Zijn tweede solo-elpee, Transformer (1972) was een hit, met klassiekers als ‘Walk on the Wild Side’, ‘Satellite of Love’ en ‘Perfect Day’. Dankzij producer David Bowie kreeg het album een licht, jazzy geluid. De teksten gaan over Warhols bonte entourage van junks, travo’s en transvrouwen. Kernzin: ‘You made me forget myself/ I thought I was someone else/ Someone good.’

Die succesplaat liet hij volgen door Berlin (1973); zware symfonische pop met zwart-romantische teksten, over een liefde die wordt ondergraven door drugsgebruik, promiscuïteit en mishandeling. De kinderen worden uit huis geplaatst, de vrouw pleegt zelfmoord. Dat de protagonist dit huiselijk leed vertelt op een afstandelijke toon (‘And me, I just don’t care at all’), maakt de zaak er niet beter op. Die vrouwenmishandeling in zijn teksten is overigens eenvoudig terug te voeren op zijn biografie: dat deed hij thuis ook. Ja, Lou Reed was ook seksist.

Nu wordt Berlin als een meesterwerk gezien, maar in die tijd omschreven critici de plaat als ‘een ramp’, en Reed had zijn populariteit weer verspeeld. Dit patroon loopt door zijn hele carrière: na elk kort succes volgde een lange periode van neergang. Volgens Reed kwam dat doordat hij zo compromisloos was en bleef experimenteren. Dat is ten dele waar. Hij had namelijk ook flops met juist commercieel bedoelde muziek. Maar hij maakte inderdaad ook zeer gewaagde platen, die iedereen wegjoegen. Met als uitschieter Metal Machine Music (1975): een uur lang feedback van een niet bespeelde, aan een draad ronddraaiende elektrische gitaar. Gewaagd? Zonder meer. En ook niet om aan te horen.

Die wisselvallige carrière had ook te maken met Reeds drugsgebruik, en met zijn reeds genoemde verdorven karakter. Bijna alle briljante artiesten die hem een sprong voorwaarts lieten maken – Andy Warhol, John Cale, David Bowie, gitarist Robert Quine – trapte hij daarna ruw van zich af. In de studio en daarbuiten was hij de despoot die geen tegenspraak duldde en eiste dat iedereen dag en nacht voor hem klaar stond.

Eerste biografie

Victor Bockris (1949), de eerste biograaf van Reed, maakte na de dood van de zanger een update van zijn biografie uit 1994: Transformer. The Complete Lou Reed Story. Hij schilderde Reed wel erg zwart af, vonden critici toen. Het boek deed denken aan de scheldbiografie die Albert Goldman schreef over John Lennon. Maar ziet: Howard Sounes onderschrijft Bockris’ visie volledig, en met een lange rij bronnen. Dat is de voornaamste kwaliteit van Sounes: zijn boek is goed onderbouwd, nuchter, en vrij van de pseudo-freudiaanse onzin die Bockris’ boek ontsiert.

In de vernieuwde versie heeft Bockris ook de laatste twintig jaar van Reeds leven verwerkt. Hierin vond Reed het geluk bij de New-Yorkse performance-kunstenaar Laurie Anderson. Ze bracht hem tot rust en introduceerde hem in kunstkringen. In zijn laatste jaren vond Reed alom erkenning. Hij maakte literair theater, als POEtry met regisseur Robert Wilson, en hij droeg zijn liedteksten voor in musea, als een echte dichter.

Bij Bockris zijn dit vreemde hoofdstukken. Bij gebrek aan bronnen (blijkbaar wilde niemand meer met hem praten) legt hij de liedteksten van Anderson en Reed naast elkaar, en doet alsof de geliefde via hun platen met elkaar in dialoog zijn. Leuk bedacht, maar ongeloofwaardig en onleesbaar.

Daarnaast lijkt het alsof Bockris iets goed wil maken bij zijn overleden idool. Dus in die toegevoegde hoofdstukken geen woord meer over Reeds slechte inborst, en alleen maar lof voor diens late werk. Dat werkt onbedoeld lachwekkend omdat Reeds laatste platen zo matig zijn. Neem nu zijn zwanenzang: een bewerking van Frank Wedekinds toneelstuk Lulu (1894), begeleid door de oude heavy-metalband Metallica. Alom beschouwd als niet om aan te horen, maar Bockris vindt het Reeds allerbeste plaat.

Ondanks de gebreken is Bockris’ biografie wel veel aanstekelijker geschreven dan die van Sounes. En hij zit beter in de wereld van Reed. Juist doordat hij kritische afstand ontbeert en zich veel meer vrijheden veroorlooft, loopt het boek soepeler. Hij maakt kleurrijke scènes van gebeurtenissen waar hij zelf niet bij was en waar hij ook geen bronnen voor noemt. Zo loopt hij met de jonge Reed de psychiatrische kliniek in en volgt hem in de behandelkamer, waar Reed zijn elektroshocks krijgt.

Typerende scène in Bockris’ boek: de Duitse chanteuse Nico (1938-1988) – ze zong op het debuut van The Velvet Underground – komt in de jaren ’70 bij Reed in New York logeren. Zij is verslaafd aan heroïne en aan lager wal geraakt. Al snel begint Reed de gevoelige vrouw te sarren. Als Nico snakt naar drugs, maar geen geld heeft, zwaait Reed treiterig met een drugszakje voor haar neus, steekt het daarna bij zich en laat haar alleen achter.

Luister hier naar de 32 beste songs van Lou Reed:

En hier naar de 26 beste songs van The Velvet Underground: