Dyslexie bestaat, maar slecht leesonderwijs ook

Niet alle dyslexie wordt veroorzaakt door slecht onderwijs maar de plotselinge groei van dyslexie heeft er wel mee te maken, schrijft Aryan van der Leij.

Deze leerlingen zijn niet dyslectisch. ANP photo xtra Koen Suyk.

Door Aryan van der Leij
De commotie, veroorzaakt door een artikel in het AD van 9-2 onder de titel ‘Dyslexie door slechte les’, lijkt vooral veroorzaakt te worden door de opmerking van prof. Anna Bosman: ‘Ik vraag me zelfs af of dyslexie wel bestaat.’ Dat bracht heel wat mensen die er last van hebben en experts die er alles over weten, op de been. Spijtig, want daarmee werd de aandacht afgeleid van de centrale boodschap dat het onderwijs kwalitatief te kort schiet, althans op te veel scholen. Die boodschap wil ik graag ondersteunen en breder trekken door de relatie te leggen met laaggeletterdheid.

Eerst wat feiten. Het aantal leerlingen dat eindexamen doet met een dyslexieverklaring is opgelopen tot gemiddeld 12 procent. Van de 11-jarigen heeft volgens de ouders er inmiddels 11 procent last van (CBS). Wat betreft ‘laaggeletterden’ is het beeld nog veel somberder. Dat aantal is bij de 15jarigen sinds 2003 opgelopen van 11,5 tot 17,9 procent (PISA 2015). Dat die groepen overlappen is evident: zwak technisch lezen en spellen is immers hét kenmerk van dyslexie en een van de belangrijkste kenmerken van laaggeletterdheid. Identiek zijn ze niet want er zijn dyslectici die het met begrijpend lezen beter doen dan met technisch lezen en er zijn laaggeletterden voor wie het omgekeerde geldt. Opmerkelijk genoeg zijn hier geen gegevens over, maar de conclusie is gerechtvaardigd dat er, bij elkaar genomen, heel wat personen zijn die moeite hebben met de schriftelijke taalvaardigheid. Hoe komt dat?

Over dyslexie laat de wetenschappelijke evidentie geen twijfel over bestaan: er zijn personen die er de grootst mogelijke problemen mee hebben om zich het alfabetisch systeem zo eigen te maken dat ze het geautomatiseerd, dus snel en goed, kunnen toepassen in lezen en schrijven. De vraag is dus waarom het er zoveel zijn. De wildgroei is des te opmerkelijker omdat de rol van het onderwijs bij dyslexie moet worden uitgesloten: een van de kerncriteria voor de diagnose stelt dat de achterstand groot blijft ondanks het feit dat het onderwijs aantoonbaar goed van kwaliteit en passend (individueel, buiten de klas, een uur per week) is geweest over een periode van zes maanden. In principe voorkomt dat criterium dat er te veel leerlingen dyslectisch worden genoemd want onderzoek, o.a. van de Universiteit van Amsterdam, toont aan dat die hulp, mits op school goed uitgevoerd, het aantal reduceert tot 3-4 procent. Kortom, het ligt niet alleen aan het onderwijs maar ook aan de diagnosticus die te coulant met dit criterium omgaat.

Nog opmerkelijker is echter dat er in definities van laaggeletterdheid over de rol van het onderwijs wordt gezwegen. Het blijft bij de constatering dat iemand laaggeletterd is als hij geen of onvoldoende gebruik kan maken van het geschreven of gedrukte woord om te functioneren in de samenleving. Dat tekortschietend onderwijs in verreweg de meeste gevallen daar de oorzaak van is, is al decennia bekend.

Slecht onderwijs

In 1994 constateerde de Commissie Evaluatie Basisonderwijs (CEB) zo grote problemen met de basisvakken dat de Telegraaf in chocoladeletters kopte: Basisonderwijs schrikbarend slecht. De Inspectie constateerde in 2007 dat er, ook na correctie op instroomkenmerken (sociaaleconomische situatie ouders), grote verschillen tussen leerlingen overblijven die moeten worden toegeschreven aan ‘aanzienlijke kwaliteitsverschillen … tussen leraren, scholen en bovenschoolse structuren zoals samenwerkingsverbanden …’.

Bijna een decennium later (2014/2015) zijn die verschillen nog steeds niet verdwenen – al zit er wel beweging in – maar klinkt de verontrustende constatering dat ‘er mechanismen in het onderwijs (zijn) die gelijke kansen belemmeren’. Dat geldt vooral voor leerlingen van laaggeletterde ouders, waardoor er nog steeds reproductie is van maatschappelijke ongelijkheid, zoals dat in de 60er jaren heette. Op dit punt tekent zich een verschil af met dyslexie. Volgens de PO-raad (AD 10-2) hebben kinderen van welgestelde ouders vaker een dyslexieverklaring. Zo’n onderzoek kost immers al gauw 1000 Euro.

De stand van zaken overziend kan men met enige goede wil stellen dat het goede nieuws is dat er de laatste jaren, mits op basis van een dyslexieverklaring, steeds vaker passend onderwijs wordt geboden aan dyslectici (langere tijd bij toetsen en examens, gebruik van laptop/koptelefoon met spellingscorrectie en luisterfunctie, etc.). Het slechte nieuws is dat er wel erg gretig van deze maatregelen gebruik wordt gemaakt, dat verbloemd wordt dat het onderwijs te vaak tekortschiet en dat kinderen van laaggeletterde, minder welgestelde ouders er minder gebruik van maken.

Een oplossing kan zijn om alle zwakke lezers, ongeacht afkomst en intelligentie, dyslectisch te noemen op basis van de kerncriteria blijvende achterstand en didactische resistentie. Een veel betere oplossing is om het onderwijs op twee punten te verbeteren. Ten eerste, het onderwijs in de klas aan te passen aan de verschillende behoeften van de leerlingen. Ten tweede in aanvulling (en deels vooruitlopend) daarop preventieve hulp te geven aan alle leerlingen die in groep 2 risico lopen op laaggeletterdheid. Daarbij wordt, gebruik makend van computer/tutorondersteuning, intensieve, individuele en langdurige begeleiding gegeven in de hele fase waarin geletterdheid tot aan automatisering toe wordt aangeleerd, groep 2-4. Daarmee wordt het onderwijs verbeterd, laaggeletterdheid bestreden en het aantal dyslectici en zittenblijvers sterk verlaagd, onafhankelijk van milieu en intelligentie. Vier vliegen in een klap en, omdat ouders, vrijwilligers of oudere leerlingen kunnen optreden als tutor, betaalbaar.

Aryan van der Leij is psycholoog en emeritus hoogleraar Orthopedagogiek (in het bijzonder leerproblemen) aan de Universiteit van Amsterdam
Gegevens ontleend aan Dit is dysxie (LannooCampus, 2016) van deze auteur

Blogger

Maarten Huygen

Maarten Huygen is redacteur onderwijs. Hiervoor was hij onder andere chef opinie, commentator en verslaggever voor NRC. Hij woonde 11 jaar in Washington, in de vroege jaren tachtig voor omroepen en bladen, in de vroege jaren negentig voor NRC.