Recensie

De slankere nichtjes van Rubens

Antoine Watteau

Voor de meeste schilders zijn tekeningen voorstudies. Zo niet voor Watteau (1684-1721). Zijn tekeningen zijn zo gretig dat je zelf ook zin krijgt tekenend door het leven te gaan.

Watteau, Jonge vrouw op een chaise longue, ca 1718, rood en zwart krijt, 21,7 x 31,1 cm

Op de tentoonstelling over Antoine Watteau (1684-1721) in Teylers Museum spelen zijn schilderijen een bijrol. Het accent ligt op zijn tekeningen, en dat is niet voor niets.

Al sinds de achttiende eeuw wordt de Fransman in de eerste plaats als tekenaar gewaardeerd. Bij zijn dood op 37-jarige leeftijd liet hij duizenden tekeningen na, meest figuurstudies. Feestelijke bladen, waarin scherpe roodbruine krijtlijntjes over het papier dwarrelen en precies goed terecht komen: samen suggereren ze overdadig plooiende jurken en kostuums, verfijnde gezichten, elegante maar ongezochte houdingen. Watteau legde alles en iedereen vast in een virtuoos, dartel handschrift, een beetje zoals een goede mode- of striptekenaar. En o ja, hij schilderde dus ook nog.

„Wanneer hij de aandrift voelde tot het maken van een schilderij”, schreef een tijdgenoot, „baseerde hij zich op studies in zijn tekenboek. Hij selecteerde de figuren die het best pasten bij wat hij wilde schilderen, groepeerde ze in overeenstemming met een landschappelijke achtergrond die hij had getekend of al opgezet.”

Dansende dames

Die werkwijze is heel ongewoon. Als tekeningen met schilderijen samenhangen, is dat meestal omdat de tekeningen voorstudies zijn, oefeningen voor wat in verf pas écht iets te betekenen krijgt. Bij Watteau werkte het andersom. Voor hem was tekenen de hoofdzaak. De studie was het echte werk. En van tijd tot tijd bracht hij de leukste figuren uit zijn schetsboeken bijeen in een geschilderd fête galante, een vrolijke bijeenkomst van converserende, musicerende en dansende dames en heren in een parkachtige omgeving.

Volgens de overlevering vond Watteau zelf dat hij in die schilderijen nooit helemaal de kwaliteit van de tekeningen bereikte. Daar zit wat in. Op de schilderijen die nu in Haarlem hangen – allemaal bescheiden van formaat – zien we de bekende verfijnde gezichtjes, gebaren en plooien, maar dan uitgewerkt en ingekleurd, waarbij de lichtheid en openheid verloren zijn gegaan.

Dat Watteau dat zelf ook zag, terwijl hij als schilder toch in hoog aanzien stond bij verzamelaars en vakgenoten, getuigt van zelfkennis. Hij wist wat zijn tekortkomingen waren. Tentoonstellingsmaker Michiel Plomp spreekt zelfs van een minderwaardigheidscomplex, veroorzaakt door een gebrek aan opleiding. Watteau was grotendeels autodidact. Hij had weinig naar naaktmodel getekend, was niet erg onderlegd in anatomie en perspectief. Zijn figuren staan niet altijd even stevig. Hoe ze precies zitten, onttrekt hij vaak door geplooide jurken aan het zicht. Hoofden krijgt hij soms niet goed rond.

Autodidact

Maar dat stoort allemaal nauwelijks, omdat het zo prettig en vanzelfsprekend getekend is. Watteau’s talent maakte zijn beperkte scholing goed.

Hij schoolde zichzelf, zijn hele korte leven lang, door steeds maar te blijven kijken en tekenen. Naar de waarneming, maar ook naar de kunst van beroemde voorgangers. Zijn vrouwen zijn slankere nichtjes van die van Rubens, en hij zal van Rubens ook de trois-crayons-techniek hebben overgenomen, het combineren van rood, zwart en wit krijt in één tekening. Op de expositie hangt een schilderijtje waarvoor Watteau zich door een ets van Rembrandt liet inspireren en een tekening naar een geschilderd zelfportret van Anthony van Dijck. Die ziet eruit alsof hij in levenden lijve voor zijn Franse bewonderaar heeft geposeerd: actieve houding, indringende blik. Zelfs een kopie tekende Watteau dus levendig, gretig, veroverend. Als je het ziet, krijg je zin om zelf ook tekenend door het leven te gaan.