Recensie

De academicus en het pruilmeisje

Ilja Leonard Pfeijffer

Na La Superba lijkt Ilja Leonard Pfeijffer terug te keren naar het ironische afstandelijke personage. Een academicus ontvouwt in zijn nieuwe roman de risico’s van een informatief-bedrieglijke wereld.

Het is een stel viespeuken daar bij Google, want toen ik de titel van de nieuwe roman van Ilja Leonard Pfeijffer (1968) in het bekende zoekbalkje invoerde en op ‘images’ klikte, omdat ik zo benieuwd was naar het omslag, werd mijn beeldscherm stipt 0,67 seconden later gevuld met allerlei dames uit de porno-industrie. En ze waren aan het werk, zullen we maar zeggen, solistisch, of galant tot bruusk bijgestaan door enkele heren uit hetzelfde werkveld. Bij nadere inspectie bleek dat Google, zonder mijn instemming, de zoekterm ‘Peachez, een romance’, had verbasterd in ‘Peachez, teen romance’, met, blijkbaar, alle visuele gevolgen van dien. Men had vermoedelijk nog geen plaatjes van de nieuwe Pfeijffer liggen en deed zelf maar een suggestie.

Heel even bevond ik mij in een parallel universum, omdat ik enkele uren eerder, lezend in de flaploze drukproef, getuige was geweest van een ondergangsverhaal met een vergelijkbare insteek. Pfeijffers verteller, een tegen zijn pensionering aanhikkende academicus van tot voor kort volstrekt onbesproken gedrag, doet vanuit een gevangeniscel in Argentinië verslag van zijn affaire met een vrouw die, zoals al snel blijkt, Peachez heet. De twee hebben elkaar nooit echt ontmoet. Peachez meldde zich zomaar ineens in zijn mailbox, waarmee een digitale correspondentie in gang werd gezet.

Peachez was woonachtig in het verre Las Vegas en omdat een romance uiteindelijk niet bij praten alleen kan blijven, werd hij door haar die enge wereld ingelokt die hij zijn leven lang had weten te mijden. Dik zestig jaar verplaatste hij zich nauwelijks en hij doet hiermee denken aan Immanuel Kant, die ook over allerlei uitheemse plekken iets kon vertellen maar deze informatie slechts uit boekjes haalde en elke dag hetzelfde wandelingetje in Koningsbergen maakte. U raadt het al, onze onervaren geleerde had er beter aan gedaan thuis te blijven.

Ik verraad hier weinig mee, want het is Pfeijffer niet te doen om de bouw van een ingenieus plot, anders was het verhaal over zijn slachtoffer wel chronologisch verteld en niet, zoals nu, in een retrospectieve monoloog. Belangrijker is de manier waarop hij door Peachez als een grote vis wordt binnengehaald. Een beetje sleazy stelt ze zich op, als een meisje dat amper weet waar er op de wereld te halen valt wat er toe doet. Mag ze misschien komen studeren in de stad waar onze hooggeleerde heer de scepter zwaait? Je ziet haar er als het ware het bekende pruilmondje bij trekken.

Reddingsfantasie

De vonk in deze romangeschiedenis wordt tot op zekere hoogte ingegeven door de aloude reddingsfantasie: hij zal haar inwijden in de wereld der zelfontplooiing en maatschappelijke progressie. Zij zal hem geven wat hij – daar heeft het tenminste alle schijn van – nog nooit kreeg: liefde en seks. Niet dat hij er hiervoor behoefte aan lijkt te hebben gehad.

En hiermee zijn we aanbeland bij het interessantste aspect van de roman, namelijk de volstrekte leegte van onze academicus. Hij is namelijk geen realistisch personage. Een geschiedenis heeft hij niet of wordt niet met ons gedeeld, van vriendschappen is geen sprake en zelfs op een vorm van collegialiteit kun je hem niet betrappen.

De man is zijn werk, wat in zijn geval neerkomt op het zijn van latinist, iemand die op elke situatie onmiddellijk een passend citaat van Horatius of Catullus plakt. Dat invullen van de werkelijkheid met wat je in je hoofd voorradig hebt, is een soort reflex bij hem geworden. Zelden laat hij indrukken werkelijk tot zich doordringen; alles wordt teruggevoerd of omgebogen tot de taal die hij kent: die van de oudheid. Maar dat weergeven van ‘een hoofd zonder wereld’, zoals het in Elias Canetti’s Het Martyrium heet, is dus niet Pfeijffers inzet, het gaat hem om iets anders, om iets dat misschien wel een stap verder ligt.

Deze roman gaat over de retorica, maar vooral over de mens die zijn liefde kwijt moet.

In Pfeiffers brievenboek Brieven uit Genua (2016) viel al te lezen hoe de huidige dichter en schrijver terugkijkt op de tijd dat hij zelf als classicus aan de weg timmerde: met niet al te veel trots. En ondanks dat Pfeijffer in zijn werk nog regelmatig zijn hoed afneemt voor de klassieke dichters en denkers, heeft het er hier toch alle schijn van dat hij een al te ernstige omgang met Horatius en de zijnen lichtelijk ridiculiseert. Achter de woorden van Peachez moge dan geen werkelijkheid schuilgaan, maar hoe serieus kunnen we de dure woorden van haar correspondent nemen?

Na eerst het woord tot ons te richten in een formeel en bijna statig jargon (het kan niet anders of Pfeijffer heeft hierbij aan advocaat Theo Hiddema gedacht), zet de academicus nadat hij Peachez heeft leren kennen gaandeweg alle sluizen van de klassieke liefdeslyriek open. Dit is allemaal projectie natuurlijk, hij heeft aan een half woord van Peachez genoeg om van een volwaardige liefdesrelatie te kunnen reppen. Hij zingt, maar het maakt een nogal van de werkelijkheid losgezongen indruk.

Mens en God

Gaat Peachez over retorica? Niet helemaal. Het sleutelwoord is projectie, dat nog eens benadrukt wordt als Pfeijffer van de romance naar een andere vorm van liefde overschakelt, namelijk die tussen mens en God. De mens, zo leert Pfeijffer ons in een essayistisch tussendoortje, moet zijn liefde kwijt, heeft een object nodig om een liefdevol verband te kunnen smeden. Wat hebben we eeuwenlang van God kunnen weten om hem zo de hemel in te kunnen prijzen? Niks, want meneer laat feitelijk niks van zich horen. Of doet hij dat wel? Wie het wil, ziet of hoort zijn boodschap, zoals een kind in een schelp het ruisen van de zee hoort.

Het moge duidelijk zijn dat deze roman voornamelijk drijft op een idee, en het is een genoegen om dit idee gaandeweg ontvouwd te zien. Je doet een ontdekking en even later doe je er nog een (bijvoorbeeld dat de te bevrijden prinses in de Super Mario-spellen Peach heet); je krijgt steeds helderder voor ogen wat Pfeijffer heeft willen illustreren. We mogen blij zijn met zo’n analytische geest, die niet alleen met voelbaar gemak literatuur maakt van een denkbeeld, maar die daarnaast ook nog eens de mens mild beziet (Grunbergs toorn voor de academicus zou snoeihard zijn). Die mildheid is een vorm van moed. Tegelijkertijd blijft het voor mij bij zulke constateringen, omdat Pfeijffer geen literatuur schrijft die zich onder de huid van zijn personages bevindt, en daarmee onder de huid van de lezer geraakt. De uitwerking van Peachez – eentje in een behoorlijk rijtje Pfeijffer-romans over echt en nep – is in de grond van de zaak behoorlijk ironisch: de schrijver wil ons de risico’s voor de mens in een informatief-bedrieglijke wereld tonen, terwijl hij aan het neerzetten van het menselijk bewustzijn onder die gegeven omstandigheden amper toekomt. Dat hier een bewuste keuze achter schuilt maakt de roman niet opeens veel beter.