Recensie

De dromerige kwaliteit van De Jaren

De tijd is de ware hoofdpersoon in het nu vertaalde De jaren van Viriginia Woolf. Ze voert je mee van familielid naar familielid, van gedachten naar gebeurtenissen en terug naar gedachten.

Virginia Woolf, 1936 Foto � Hulton-Deutsch Collection/CORBIS/Corbis via Getty Images

Toen in 1937 The Years van Virginia Woolf uitkwam, belandde het boek op de bestsellerlijst van The New York Times. Dat was nog nooit eerder met een roman van Woolf gebeurd. Het is niet de best verkopende roman van Woolf (1882-1941) gebleven; tegenwoordig neemt het binnen het oeuvre een bescheiden plaats in, in de schaduw van Mrs. Dalloway en Orlando. Onlangs verscheen de eerste Nederlandse vertaling. Eindelijk gerechtigheid, want De jaren is een prachtige roman.

Gedurende ruim vijftig jaar volgen we de leden van de familie Pargiter, afkomstig uit de Londense middenklasse. Het eerste hoofdstuk speelt zich af in 1880, en per hoofdstuk maken we een sprong in de tijd, eerst een paar grote, van 1880 naar 1891 naar 1907, daarna een aantal kleinere, tot we van 1918 naar het ‘heden’ springen, waar vele oud- en nieuwgedienden uit de familie hun opwachting maken op een familiefeest; die laatste episode speelt zich af in het begin van de jaren dertig.

Geen doorlopend verhaal dus, maar een roman in episoden van zeer ongelijke lengte. Sommige episoden zijn gewijd aan belangrijke zaken (in het eerste hoofdstuk sterft de moeder van het gezin), andere zijn eerder sfeerschetsen waarin niet al te spectaculaire dagen worden beschreven. Maar ook die hoofdstukken zijn boeiend, want op de achtergrond is er altijd sprake van doorlopende lijnen, die we uit kleine verwijzingen en opmerkingen kunnen reconstrueren. Zo doen ook de onbeschreven jaren mee met het verhaal.

Inkijkjes

Als De jaren een hoofdpersoon heeft, dan is dat Eleanor, de oudste dochter van kolonel Pargiter, die na de dood van haar moeder voor haar vader blijft zorgen en zelf nooit zal trouwen. Zij krijgt door de jaren heen van Woolf de meeste aandacht. Ze heeft drie broers en drie zussen, en van al die familieleden krijgen we via kleine inkijkjes of langere scènes ook de levens gepresenteerd – en ook van een aantal van hun kinderen.

Dat klinkt als een hectisch, boordevol boek, maar dat is De jaren niet. Het boek heeft een bijna dromerige kwaliteit. Woolf laat ons mee dwalen van familielid naar familielid, van gedachten naar gebeurtenissen en weer terug naar gedachten. Er is eenheid, omdat iedereen deel uitmaakt van grotere gehelen.

Elk hoofdstuk begint met een uitgebreide beschrijving van het weer, al even uitgebreid wordt het straatbeeld van Londen beschreven. Je zou ook Londen de hoofdpersoon van het boek kunnen noemen, veelzeggend genoeg bevat De jaren wel een plattegrond van Londen maar geen familiestamboom.

Nieuwe uitvindingen en ontwikkelingen (de komst van de auto, elektrisch licht, de radio, de Eerste Wereldoorlog) worden terloops genoemd, maar tegelijkertijd wordt duidelijk wat de gevolgen van deze gebeurtenissen zijn voor de Pargiters. Ze leiden geen spectaculaire levens, daar gaat het Woolf niet om. Ze zijn kinderen van hun tijd. Zus Rose gooit op een demonstratie een steen en belandt in de gevangenis, een neefje komt om in de loopgraven, alleenstaande vrouwen als nicht Sara wonen in goedkope pensions.

Woolf concentreert zich op de menselijke verhoudingen, en ze doet dat op een humane manier, doordat ze nergens afstand van haar personages neemt. Ze neemt ze volstrekt serieus, met een bijna naïef mededogen, zoals James Joyce dat ook deed, bijvoorbeeld in zijn verhaal ‘De doden’; het resultaat is proza dat op een kalme manier adembenemend is.

Opvoeding en conventie

Er zit een schrijnende ondertoon in De jaren, omdat bijna alle personages uiteindelijk tot zichzelf zijn veroordeeld. Ze zitten met vragen die ze niet aan de orde durven stellen (over de veranderende wereld, over identiteit, over elkaar) en als ze dat al doen, verdwijnt het vertrouwelijke moment direct omdat er iemand binnenkomt, de gesprekspartner van onderwerp verandert of de aanvankelijke durf meteen weer wegzakt. Opvoeding en conventie staan openhartigheid in de weg. ‘Waarom verbergen we alles wat van belang is’, vraagt een neef van Eleanor zich op een gegeven moment af. Maar veelzeggend genoeg spreekt hij die gedachte niet uit.

Deze nu voor het eerst vertaalde roman mag dan een bescheiden plaats innemen in Woolfs oeuvre, het boek is op een kalme manier adembenemend.

Generaties volgen elkaar op , er wordt vooruit gekeken en teruggeblikt. Uiteindelijk is de ware hoofdpersoon de tijd, en dat maakt De jaren tot een melancholische roman. Het generatie-thema wordt op het feest waarmee het boek besluit overduidelijk (en toch erg goed) verbeeld door twee kinderen die tegen het ochtendgloren op schrille toon een lied zingen waarvan niemand van de oudere generaties de woorden kan verstaan. ‘Chree toe gay ei, / Geerat didax…’

De zeer geslaagde vertaling sluit af met een appendix waarin twee fragmenten staan die de roman niet hebben gehaald, spelend in 1914 en 1921. Ze versterken het idee dat de hoofdstukken die wél in De jaren zijn terechtgekomen niet op zichzelf staan, maar uit de stroom gelichte rimpelingen zijn, en dat de stroom breder is dan wat we nu in handen hebben.