Recensie

Cecila Bartoli imponeert in La Cenerentola

Met soevereine zang, sterk theatraal spel en haar expressieve mimiek gaf Cecila Bartoli knap gestalte aan zowel de kolderieke als de melancholieke kant van La Cenerentola.

Foto Uli Weber/Decca

Een dikke twintig jaar geleden maakte Cecilia Bartoli haar debuut in de grote zaal van het Concertgebouw. Om dat jubileum op te luisteren zong de operadiva woensdag de hoofdrol in wat inmiddels een sleutelwerk in haar carrière is geworden: La Cenerentola, de opera die Rossini en zijn tekstschrijver Ferretti in 1817 binnen drie weken uit hun mouw schudden.

In het dramma giocoso, vrij naar Assepoester, vindt de gekleineerde huissloof Angelina in twee bedrijven de ware liefde bij Prins Ramiro. Daarbij wordt ze nu eens niet dwars gezeten door een vileine schoonmoeder, maar door een kwaadaardige stiefvader. Het glazen muiltje is ingewisseld voor een gouden armband en de Disney-achtige tovenarij van het oorspronkelijke sprookje is geschrapt ten behoeve van een scherp-komische plot met soms een tragisch randje.

In een semi-geënsceneerde uitvoering (heerlijk buitensporige kostuums) die over het geheel genomen sterk leunde op kluchtige scherts, gaf Bartoli knap gestalte aan zowel de kolderieke als de melancholieke kant van het werk. Met soevereine zang, sterk theatraal spel en haar expressieve mimiek portretteerde zij een Angelina van vlees en bloed die je afwisselend meezoog in ironische kwinkslagen, knetterende liefde en momenten van gekrenkte vernedering. Vocaal etaleerde Bartoli de volle breedte van haar stem. Van ingetogen zang in ‘Una volta c’era un re’ tot klaterende coloraturen in de slotaria ‘Non più mesta’.

Cecilia Bartoli tijdens een eerdere uitvoering van Rossini.

Onder haar tegenspelers imponeerden de baritons Alessandro Corbelli (Dandini) en Carlos Chausson (stiefvader Don Magnifico) met een sonoor geluid, dat niettemin ritmisch puntig bleef in de vele snelle staccato-passages. De lenige tenor Edgardo Rocha (Prins Ramiro) zong steeds beter naarmate de avond vorderde en liet horen hoe je afwisselend zoetgevooisde fluisterklanken en verzengende uithalen produceert.

Het op authentieke instrumenten spelende barokorkest Les Musiciens du Prince wisselde onder leiding van dirigent Gianluca Capuano even kameleontisch van kleur als het zaallicht bij de verschillende scènes. Nu eens klein en intiem als een kamermuzikaal strijkje, dan weer vervaarlijk aanzwellend als het akoestische equivalent van een naderende stoomtrein. In La Cenerentola, een geniaal bijeen gesprokkelde nummeropera van min of meer losse recitatieven, aria’s, ensembles en koorscènes, werkte die zappende benadering uitstekend.

Ook een goede vondst: de percussionist die de muziek voorzag van hoorspelachtige geluidseffecten en zijn slagwerk bij het onweer in de tweede akte zo virtuoos liet donderen dat zijn cimbaal als een hoosbui op het podium kletterde.