Column

Werk aan een Plan B

In Tanger, Marokko. Met een oom eet ik in Kandinsky, een tent aan het strand. Ooit opgericht door een Nederlandse Marokkaan uit Den Bosch. We kijken naar het interview van BBC Newsnight’s John Sweeney met Geert Wilders. Ik vertaal, mijn oom zwijgt. Na afloop vraagt hij hoe lang ik nog in Nederland blijf wonen. Dit gesprek hebben we vaker gevoerd. Ik heb zijn vraag altijd afgedaan als onzin, waarom zou ik weggaan? Hij wijst om zich heen. Start hier iets, zegt hij. Werk aan een plan B. Dan hoef je niet weg, maar als het nodig is, heb je iets om op terug te vallen. Meer Nederlandse Marokkanen doen zaken in het land van hun ouders. Dit land is goed voor haar kinderen, zegt mijn oom.

Het klopt. Er valt nog altijd veel af te dingen op Marokko, maar een ding is zeker: ik ben er altijd welkom, ook al ben ik er niet geboren. Hoezeer ik ook mijn best doe, ze weten altijd dat ik ‘van buiten’ kom. Ik heb eens een weddenschap gesloten dat ik het kon verhullen. In een djellaba van mijn nichtje waande ik me een local. Bij de eerste taxichauffeur waar ik instapte, viel ik door de mand. Het was mijn accent. Maar dat ik ergens anders ben geboren, maakt daar niet uit.

Waarom zou je kiezen voor de vernedering, voor een positie waarin je je altijd moet verdedigen als je ook kan kiezen voor een land waar erkenning vanzelfsprekend is? Mijn oom snapt het niet. Hij ziet het als zelfkwelling. Ik zie het als evident. Het is geen keuze, ik ben toch in Nederland geboren! Hij kan daar niet bij.

Hij is niet de enige.

Bij mijn familie in Marokko is inmiddels het beeld ontstaan van een Nederland dat niks van Marokkanen en/of moslims moet hebben. Geregeld belt opa, zijn krakerige stem bezorgd vragend of ik nog steeds met de trein reis, en of ik dan wel oplet op het perron. Of ik niet te laat alleen over straat ga. Hij is niet gek, zegt hij als ik hem gerust probeer te stellen. Hij leest ook dat het hier niet meer zo vriendelijk is als toen hij hier was in de jaren tachtig.

Toen ik voor een studie koos op mijn zeventiende, probeerde mijn moeder me ervan te overtuigen voor iets te kiezen dat ik ook in Marokko kan doen. Tien jaar geleden is het, en ik weet nog dat ik verontwaardigd op hoge toon beweerde dat ik nooit naar Marokko zou verhuizen. Dat zij ooit terug wilde naar haar geboortegrond om haar pensioen daar te vieren, soit. Maar ik? Nee, ik ben in Nederland geboren. Doe het nou maar, zei ze. Want je weet nooit wat er gaat veranderen. Het was na 9/11, na de moord op Fortuyn en Van Gogh. Zij zag Nederland sneller veranderen dan ik.

Mijn naïviteit won het van haar zorgen. Ze is er nooit op teruggekomen. Ik moet er steeds vaker aan denken.

Terug naar Kandinsky. Vroeger, zei mijn oom, niet eens zo heel lang geleden eigenlijk, had hij weleens spijt dat hij niet naar Nederland was gekomen om te werken. De helft van mijn ooms kwam als gastarbeider naar Nederland en bleef. Hij niet. Een gemiste kans, vond hij lange tijd. Hij had geld kunnen verdienen, en zijn kinderen hadden in Europa kunnen studeren. Nu is dat langzaam aan het veranderen. Van spijt is geen sprake meer. Hij wijst om zich heen. Die droom, dat kan ook hier.

Lamyae Aharouay werkt als redacteur bij BNR. @LamyaeA