Column

Vertaalhulp voor Nederlandse kolonisten

Foto Rijksmuseum

Deze week opent in het Rijksmuseum de tentoonstelling ‘Goede Hoop. Zuid-Afrika en Nederland vanaf 1600’, de eerste grote tentoonstelling over de relatie tussen Zuid-Afrika en Nederland. Zoals bekend heeft die relatie ingrijpende taalkundige gevolgen gehad: het Afrikaans is immers een dochtertaal van het Nederlands.

De eerste Nederlanders vestigden zich in een gebied dat was bevolkt door Khoikhoi-stammen. Ze noemden hen Hottentotten (nu een scheldwoord) omdat de Khoikhoi een kliktaal spreken die de Nederlanders deed denken aan gestotter. Ottentot is een oud Nederlands woord voor ‘hakkelaar’ of ‘stamelaar’.

Nederlanders communiceerden met de Khoikhoi via tolken. Een van hen was Georg Friedrich Wreede (ca. 1635-1672). Wreede was een gesjeesde student uit Duitsland die in 1659 op de Kaap arriveerde. Na een expeditie stelde hij een ‘Hottentotse Woordelijst’ op – de oudste inventarisatie van de Khoikhoi-taal.

Het gaat om twee woordenlijstjes: een met 74 en een met 164 woorden – beide niet alfabetisch maar min of meer thematisch geordend.

Het eerste begint met vrede maeken (samsam bij de Khoikhoi), een goed uitgangspunt als je ergens handel komt drijven. Dan Castel of fort, wat indertijd zonder twijfel nodig was om de vrede te bestendigen. De vertaling van fort in het ‘Hottentots’ is fort; ze waren kennelijk niet vertrouwd met zulke vestingwerken. Fort moet een van de eerste Nederlandse leenwoorden in een Afrikaanse taal zijn.

In het begin bevat Wreedes lijst veel namen voor dieren: koeien, ossen, schapen, paarden, enzovoorts. Daarna volgen woorden voor etenswaren (brood, wijn), voor de bereiding van voedsel (potten, kannen), woorden die betrekking hebben op de natuur (maan, zon, sterren, donkere nacht), en opmerkelijk veel woorden voor het menselijk lichaam: van top tot teen, inclusief de Schamelheyt, de ballen en zelfs de pramme; in de Khoikhoi-taal respectievelijk: tga, Kearra en semme.

Wreedes lijstjes werden naar VOC-bestuurders in Nederland gestuurd. Die vonden ze nuttig genoeg om ze te laten drukken, met naast het Nederlands en het ‘Hottentots’ een vertaling in het Latijn (Wreede gaf zelf een verklaring in het Grieks). Opmerkelijk is dat het woord pramme voor ‘borsten’ in de gedrukte versie geen Latijnse verklaring kreeg, volgens een latere bezorger omdat „het Hollands niet werd begrepen”.

In 1664 zond de VOC enkele gedrukte exemplaren naar Zuid-Afrika, met de kanttekening dat zij het nuttiger zouden vinden als de Khoikhoi Nederlands zouden leren in plaats van andersom. Wreede kreeg honderd rijksdaalders voor zijn werk, toen gelijk aan het jaarsalaris van een VOC-predikant. Later klom hij op tot gouverneur van het eiland Mauritius.

De gedrukte versie van Wreedes woordenlijst is niet bewaard gebleven. Kennelijk is het wel in handschrift overgeleverd, want in 1916 nam E.C. Godée Molsbergen beide lijsten op in zijn Reizen in Zuid-Afrika in de Hollandse tijd (zie nrch.nl/5nw7).

Nederlandse handelaars en zeevaarders in Afrika hadden al eerder zulke woordenlijsten gemaakt, soms in combinatie met conversatievoorbeelden. Die zijn vaak veelzeggend. Zo bevat een lijst uit 1602 voor gesprekken met ‘de Swerten van Gunea’ (Ghana) niet alleen zinnen met betrekking tot de handel („Ick wil Linnen coopen”), maar staat er ook: „Gheeft my een schoone vrouw”. Plus de vraag: „Vrouw wildy by my slapen?” Voor ‘slapen’ in deze betekenis zeiden de Khoikhoi: queequa.

Zelfs in een piepklein lijstje van slechts 21 woorden staan de woorden een mooie vrouw, begeren en: laat komen.

Ewoud Sanders schrijft over taal. Twitter: @ewoudsanders