Recensie

Rafaël en andere Italiaanse helden

Tentoonstelling

In Nederland is er geen schilderij te vinden van Rafaël, de grootse schilder uit de Renaissance. Nu zijn twee van zijn vroege werken, samen met vele schilderijen van tijdgenoten, te zien in Rijksmuseum Twenthe.

Rafael, Engel, 1500, Pinacoteca Tosio Martingengo, Brescia

Iedereen kijkt omhoog: met het hoofd in de nek, tegen elkaar aanbotsend, starend naar het licht dat door het oculus, het perfect cirkelvormige gat in de koepel van het gebouw, naar binnen valt. Dit is waarvoor het merendeel van de massa’s bezoekers naar het Pantheon in Rome komt: om zich in dit allerbest bewaarde bouwwerk uit de Klassieke Oudheid (het Pantheon is tussen 118 en 125 voor Christus gebouwd als tempel en later gebruikt als kerk) aan dat haast goddelijke licht, en zoals nu in de winter, soms aan de regen, te laven.

Maar ik kom voor een ander licht, dat niet van omhoog komt, maar dat hier ergens langs de plint van het Pantheon begraven ligt. Het is het licht van een van de grootste kunstenaars uit de Renaissance: een held die uitgroeide tot cultheld, een ster die werd nagevolgd door tientallen anderen, ook nog lang na zijn dood. Natuurlijk heb ik het over Rafaël, samen met Michelangelo en Leonardo da Vinci behorend tot de absolute top van de Hoogrenaissance die tussen 1490 en 1520 in Italië bloeide.

In het Pantheon ligt Rafaël van Urbino (1483-1520) – en het is merkwaardig om voor zijn graf te staan: merkwaardig omdat het ontroert. Want hier ligt hij dan echt, de meester die zo meesterlijk was dat je, als je door de Rafaëlzalen in de Vaticaanse musea aan de overkant van de Tiber loopt, zijn ijlzachte Madonna bekijkt, zijn virtuoze School van Athene en de miljoenen reproducties die van zijn werk in omloop zijn voor de geest haalt, je haast niet kunt geloven dat de kunstenaar echt heeft geleefd.

Deze in alle canons bijgeschreven en tot in elke korrel pigment gemythologiseerde kunstenaar was een gewone mens van vlees en bloed, die zich in Rome suf vrijde met een bakkersmeisje en liefst in haar nabijheid zijn meesterwerken schilderde. Zijn botten in de kist zijn het bewijs. Rafaëls roem was zo kolossaal, dat zijn jonge lichaam meteen na zijn dood in 1520 werd overgebracht naar het Pantheon. Het is een eer die Michelangelo noch Da Vinci te beurt viel. Want met de dood van Rafaël, zo vertelt de inscriptie op zijn eenvoudige grafkist, vreesde men dat niet alleen zijn kunst, maar de natuur zelf dood zou gaan.

Gegarandeerde blockbuster

In Nederland hebben we geen enkel schilderij van Rafaël, wel veertien tekeningen, waarvan Teylers Museum in Haarlem er twaalf bezit. Een kleine vijf jaar geleden was dat aanleiding voor het Haarlemse museum om een grootse tentoonstelling te organiseren, waarbij twee schilderijen van Rafaël voor het eerst in Nederland te zien waren. Het Rijksmuseum Twenthe in Enschede is nu een perfecte tweede.

Op de gegarandeerde blockbuster In het Hart van de Renaissance zijn twee schilderijen van de jonge Rafaël te zien en een Madonna met de anjers dat na de dood van de kunstenaar in zijn atelier is gemaakt. Deze drie vormen de kern van de tentoonstelling, maar och, wat is het een kern die door veel ander schitterends wordt omgeven.

De tentoonstelling, georganiseerd in de korte tijdsspanne van een krap jaar (met dank aan Paul Knolle, hoofd Collecties van het museum) omvat maar liefst 45 schilderijen en een enkel fresco uit de Renaissance in vooral Noord-Italië. De doeken komen onder andere uit Brescia, Bergamo, Florence, het kleine Montichiari en Venetië. Het grootste deel van de stukken is afkomstig uit Brescia, uit de Pinacoteca Tosio Martinengo die op dit moment wordt verbouwd.

Het zijn de details die je aan de werken kluisteren.

Dat maakt de tentoonstelling een mengelmoes, want de verzameling in Brescia is door de eeuwen heen ontstaan. Ze bevat grote meesters als Bellini, Titiaan, Tintoretto, Vincenzo Foppa, Lorenzo Lotto en Bramantino, maar ook onbekendere Renaissance-kunstenaars. Dat maakt de tentoonstelling tot een fijn parcours van kijken en vergelijken, teruglopen en weer opnieuw zien. En, zoals vaak, is het niet de spectaculaire beheersing van het perspectief (zoals bijvoorbeeld Bramantino demonstreert in zijn Maria met kind en de heilige Jozef uit 1515) of de vaardigheid in het schilderen van huid (Moretto da Brescia’s Venus met Cupido uit 1548-1550) die je de adem doet benemen. Het zijn de details die je aan de werken kluisteren.

Die details prijken in de eerste zaal van de tentoonstelling op een schitterend doek van een jonge fluitspeler, geschilderd door de relatief onbekende Giovanni Gerolamo Savoldo. Sta stil voor dit portret dat zoveel meer is dan dat, en kijk hoe virtuoos de schaduw over de ogen danst, hoe ragfijn het vetertje is dat aan de kraag van de fluitist kronkelt, hoe donzig de waas is op een oorlel, en – schril detail – hoe knallend de roze en azuurblauwe boekomslagen rechts in een nis contrasteren met de verstilde rest van de voorstelling.

Luie slaapstand

In de daaropvolgende zaal gaat het niet anders. Hier hangen alle drie de Rafaëls, vlak bij een helder lichte Madonna in adoratie voor het slapende Christuskind (1470-1475), geschilderd door Bellini. In dit paneel trekken niet zozeer de details van lip, neus of oorlel de aandacht, maar de onweerstaanbaar levensechte houding van de slapende baby: met zijn gezicht in luie slaapstand, zijn handjes ontspannen op zijn blote ribbenkast en zijn voetjes loom gespreid. Bellini geeft het Christuskind diametraal anders weer dan bijvoorbeeld Bramantino, die in het al genoemde Maria met kind en de heilige Jozef het kindje Jezus tamelijk bonkig schildert, alsof het slapend hardloopt in Maria’s armen.

Schitterende details gaan verscholen in met een eenvoudig stipje wit oplichtende parels in haren, in motieven op jurken, in veren van waaiers. Onbetwiste meester hierin is de Bergamese kunstenaar Giovanni Moroni. Zijn portret van de aristocratische Isotta Brembati (1552-1553) is een topstuk. Het is eigenlijk niet zozeer een portret van Isotta, als wel een spectaculair vertoon van vaardigheid van de schilder in het weergeven van stof. Isotta’s jurk van goudgeel en groen brokaat is net zo goed een waterval, een rotslandschap, een abstract veld van lijn en kleur, als ja: een peperdure jurk.

Het mooie van deze detailstudies is dat je opnieuw naar de grootste held van toen gaat kijken: naar Rafaël dus. De twee echte Rafaëls in Enschede zijn jeugdwerken. Er is een engel die deel uitmaakte van een veel groter, verloren gegaan altaarstuk uit 1501. En er hangt een Zegenende Christus, gemaakt in 1505-1506, dus voordat Rafaël naar Florence en later Rome zou verhuizen. De twee olieverven op paneel hebben dat typisch gloeiende, verstilde licht dat het latere werk van de kunstenaar kenmerkt – alsof de voorstelling door een zacht potkacheltje wordt verwarmd. Maar ze zijn niet perfect.

Rafael, Zegenende Christus, ca. 1505,. Foto Pinacoteca Tosio Martinengo, Brescia

Met name Rafaëls Christus valt op door de details, die dit keer onbeholpen zijn. Een lap stof moet een ingewikkelde anatomische houding van de rechterarm vermommen en met de gebogen, naakte linkerarm van de wederopgestane Christus heeft de kunstenaar eveneens behoorlijk zitten worstelen. De opbollende biceps springt als een ei tevoorschijn onder de oksel. Het verloop van de bovenarm naar de elleboog is aandoenlijk lang. En raar genoeg, ontroert ook dat.

Rafaël aspireerde het allerhoogste – ook als jonge kunstenaar. Het is door die oneffenheden in dat jonge werk, het gepruts, gepoets en ongetwijfeld gevloek waarmee correctie op correctie is doorgevoerd, dat de held van later met zijn voeten op aarde komt. Het is alsof de kunstenaar, door de eeuwen heen, zijn adem over je uitblaast. Zacht en plotseling. Net als in het Pantheon.