Opinie

Nederlandse gezondheidszorg is ondermaats

De poortwachtersfunctie van de huisarts staat goede zorg in de weg, vindt .

De Euro Health Consumer Index (EHCI) wordt vaak gezien als de Europese barometer voor de kwaliteit van de gezondheidszorg. Al jarenlang staat ons land fier bovenaan. In het zojuist verschenen rapport over 2016 zijn wij wederom koploper.

Een veelgehoorde kritiek op deze index betreft de onderzoeksmethoden. Zo wordt grotendeels gebruikgemaakt van patiëntenquêtes, een nogal subjectieve informatiebron. Tevens worden parameters die verband houden met de organisatie van het zorgstelsel overgewaardeerd, en de zorgresultaten, uitgedrukt in sterftecijfers, ondergewaardeerd. Bij een meer evenwichtige weging zou de rangorde van de landen er totaal anders uitzien.

Voor deze discussie is uitgegaan van de gegevens van de vijftien landen die tot 2004 de EU vormden. Griekenland is daarvan uitgesloten vanwege zijn deplorabele zorgpeil. Toegevoegd zijn Zwitserland, Noorwegen en IJsland. Totaal zeventien landen, kortweg de EU17.

Het blijkt dat Nederland op onderdelen ondermaats presteert. Wat de levensverwachting betreft scoren wij op deze ranglijst een magere 8ste plaats. Volgens de WHO boekte ons land sinds 1980 de geringste groei van de levensverwachting vanaf de geboorte van alle EU17-landen! Er zijn aanwijzingen dat vooral de sterfte onder ouderen hier buitenproportioneel hoog is.

Ook wat de sterfte door astmatische aandoeningen betreft bungelt Nederland ergens onderaan (12de plaats). Ten aanzien van de kindersterfte tijdens het eerste levensjaar bezet ons land de 15de plaats. Uit meerdere bronnen blijkt dat wij over de kinderperiode tot 5 jaar opvallend lage overlevingscijfers halen (OESO, WHO).

De EHCI geeft Nederland een 13de plaats binnen de EU17 op het gebied van de kankersterfte. Volgens een meer recent bulletin van Eurostat zijn wij inmiddels hekkensluiter! Onze positie in de achterhoede geldt voor vrijwel alle kankersoorten. Alleen voor borst- en baarmoederhalskanker presteren wij in de middenmoot. Laten dit de tumortypen zijn, toevallig of niet, waarvoor bevolkingsonderzoek wordt aangeboden en waarbij de inbreng van de huisartsen beperkt is.

Dit brengt ons bij de rode draad door de EHCI-statistieken: de poortwachtersfunctie van de huisarts. In alle landen waar een streng poortwachterssysteem geldt, zien we dezelfde teleurstellende uitkomsten. De meest fanatieke poortwachterslanden binnen de EU17 zijn – naast Nederland – Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Ierland. De scores van deze landen op het terrein van levensverwachting, astmatische aandoeningen, kindersterfte en kankersterfte zijn navenant: op zijn best in de middenmoot, meestal in de staart. Dat kan niet toevallig zijn. Huisartsen doen tegenwoordig veel specialistisch werk, ofschoon ze daarin onvoldoende zijn geschoold.

Eind 2015 bracht Arne Björnberg, de voorzitter van de EHCI, een bezoek aan onze Tweede Kamer. Toen hem werd gevraagd hoe wij ons zorgstelsel nog kunnen verbeteren, was zijn resolute antwoord: ‘Schaf het poortwachterssysteem af!’ Minister Schippers (Volksgezondheid, VVD) heeft het advies achteloos terzijde geschoven

Aan de gouden medaille bij de EHCI-competitie zit een zwarte rand. Ons totale zorgbudget als percentage van het bbp is ongeveer het grootste in Europa, ondanks veertig jaar poortwachterschap. Onze rapportcijfers qua zorgprestaties zijn daarentegen bedroevend. Wij geven te veel geld uit aan een inferieur product. Het is zaak dat de politiek helderheid verschaft over de discrepantie tussen de nog steeds torenhoge zorgkosten en de naar Europese maatstaven schamele overlevingsstatistieken.