Waarom de keerzijde van Neerlands geschiedenis met Zuid-Afrika nu pas wordt verteld

Tentoonstelling Op de expositie ‘Goede Hoop’ laat het Rijksmuseum voor het eerst de minder glorieuze kant zien van de Nederlandse bemoeienis met Zuid-Afrika. Onze correspondent nam een kijkje en vroeg zich af: waarom nu pas?

De nagebouwde markt van Culemborg op het terrein van het Van Riebeeck-festival in Kaapstad, 1952. Collectie Zuid-Afrikahuis, Amsterdam

Enkele maanden voordat in Amsterdam het Rijksmuseum de tentoonstelling Goede Hoop, Zuid-Afrika en Nederland vanaf 1600 werd opgetuigd, gebeurde er aan de andere kant van de wereld iets opvallends. Op de stoep van Kasteel De Goede Hoop, de plek waarvandaan de Hollanders hun verversingspost in de Kaap eind zeventiende eeuw bestuurden, bouwden de nazaten van de eerste bewoners van de zuidpunt van Afrika hun eigen vesting. Een Khoisan kraal, vlak voor de entreepoortjes, met rieten omheining en al. Een stil protest tegen de bestaande geschiedschrijving. „Het Kasteel is een symbool van kolonialisme. Maar niemand weet wat er daarvoor was”, legde een van de Khoisan activisten uit. 365 jaar sinds de dag dat de eerste Hollander hier voet aan wal zette, was het misschien tijd dat ook hun kant van het verhaal eens werd gehoord.

Dat is precies de uitdaging van de bedenkers van de nieuwe tentoonstelling in het Rijksmuseum. Hoe laat je de geschiedenis van Nederland met Zuid-Afrika zien, zonder terug te vallen op dezelfde witte en eurocentrische tijdlijn die de meeste geschiedenisboeken nog steeds hanteren. Daarin is uur nul de aankomst in de Kaap van de chirurgijnszoon uit Culemborg, Jan van Riebeeck, op 6 april 1652. Daarvoor: terra incognita.

In Zuid-Afrika is Van Riebeeck een scheldwoord geworden. Het is niet zo erg als de directeur van het Rijksmuseum, Taco Dibbits, schrijft in het voorwoord van het gelijknamige boek Goede Hoop, dat het standbeeld van Van Riebeeck nu „wordt beklad en bespot”. Van Riebeeck en zijn vrouw staan nog altijd ongeschonden aan de Heeregracht in het centrum van Kaapstad. In tegenstelling tot de Britse kolonist Cecil John Rhodes, die door boze studenten van zijn sokkel werd gehaald. Maar inderdaad, zelfs president Jacob Zuma gaf Van Riebeeck twee jaar geleden de schuld van alle problemen in het huidige Zuid-Afrika.

Toch is Van Riebeeck de eerste die je tegenkomt op de tentoonstelling. Het Rijksmuseum wist het ware portret van hem op te duiken in de depots, in tegenstelling tot de foutieve afbeelding die jarenlang op Zuid-Afrikaanse bankbiljetten heeft gestaan. Maar toch: Jan van Riebeeck.

„Dit is geen landententoonstelling over Zuid-Afrika”, legt Martine Gosselink, hoofd geschiedenis bij het Rijksmuseum en bedenker van het hele project, uit. „We laten een klein onderdeel van die geschiedenis zien, de interactie met Nederland, en hoe die vandaag de dag nog steeds impact heeft.”

Foto Rijksmuseum

Daarom hangt meteen naast Van Riebeeck het aankoopcontract dat de Hollanders in 1672 tekenden met de vertegenwoordigers van de Khoisan. Gosselink vond het in de Kaapse archieven. „Ik sprong een gat in de lucht, toen ik dit vond. Ze hadden natuurlijk geen idee wat ze tekenden.”

Van Riebeeck wilde na tien dagen al weg van „dat naar plomp stinkende volk”, kunnen we lezen in zijn logboek. Zijn oplossing om dat volk zo ver mogelijk van hem vandaan te houden: een ondoordringbare amandelhaag van veertien kilometer lang. Van Riebeecks eigen muur.

Wat de Khoisan van Van Riebeeck vonden is nauwelijks gedocumenteerd. De orale geschiedschrijving van de Khoisan is niet opgetekend, nog altijd niet. Hier loopt het Rijksmuseum tegen dezelfde beperkingen aan als voorgaande geschiedschrijvers, ook al zijn de intenties anno 2017 anders. „Dit was ons grootste dilemma”, zegt Gosselink. „Alle citaten die we van de Khoisan hebben, zijn opgeschreven door witten.”

Ze diepten de woorden op die een VOC-kolonel optekende uit de mond van San-leider Koerikei in gesprek met een sergeant Van der Merwe. „Wat doe je op mijn land? Je hebt alle plekken afgepakt waar de eland en andere jachtdieren leven. Waarom ben je niet gebleven waar de zon ondergaat, waar je oorspronkelijk vandaan kwam?”

Achttiende-eeuwse tekeningen toegeschreven aan Victor Victors laten zien hoe de kolonisten die onvrede smoorden: met het ‘dopstelsel’, een systeem waarbij een deel van het salaris van de druivenplukkers op de Kaapse wijnboerderijen werd uitbetaald in drank. Een systeem dat op sommige boerderijen zelfs nu heimelijk wordt gehanteerd. Het verklaart onder meer waarom de Kaap een van de hoogste percentages van foetaal alcoholsyndroom heeft: baby’s die met afwijkingen worden geboren omdat hun moeders alcoholverslaafd zijn.

Een van de meestgestelde vragen van vroege bezoekers aan de tentoonstelling: „Moet ik me schuldig voelen?” Dan antwoordt Gosselink: „Onze intentie is om te laten zien welke impact onze komst heeft gehad. Je mag hier leren begrijpen dat historische handelingen nog steeds door etteren. We zeggen niet dat de apartheid een Nederlandse uitvinding was, maar om zo’n systeem te laten slagen, heb je ingrediënten nodig die de basis leggen. Uitsluiting was er vanaf het begin.”

De Kaap leeft die geschiedenis. Of het nu is in de bandenoorlogen in de door drugs en drank gedrenkte townships, de dumpplek van niet-blanken die door het apartheidsregime uit het centrum van de stad werden verdreven. Of in veelvoorkomende achternamen als Februari, naar de maand waarop ze als slaven vanuit Batavia naar Zuid-Afrika werden gebracht. Zuid-Afrika worstelt met die geschiedenis en bediscussieert die dagelijks, en rekent ermee af. In het parlement of op straat. De tentoonstelling brengt die geschiedenis groots, meeslepend en vooral zelfkritisch in kaart. Van de Nederlandse betrokkenheid bij de Boerenoorlog, tot de anti-apartheidsprotesten en het bezoek van Nelson Mandela aan Amsterdam.

Maar dan blijft de belangrijkste vraag: waarom wordt deze keerzijde van Neerlands geschiedenis met Zuid-Afrika nu pas verteld? In 2017, amper een jaar nadat het Rijksmuseum zelf pas de woorden kaffer en neger heeft weggehaald uit de bijschriften van zijn kunstwerken?

„We praten veel over Suriname en Indonesië, maar Zuid-Afrika lijkt sinds het einde van de apartheid vergeten. Alsof het met Mandela klaar was. Maar deze tentoonstelling laat zien dat het nog lang niet klaar is”, vertelt Gosselink, wier grootouders al in Zuid-Afrika kwamen. „Toen ik in 2010 Zuid-Afrika bezocht, was ik verbaasd dat ik al die standbeelden uit koloniale tijd nog steeds zag staan. Ik dacht: er is hier een verhaal te vertellen.”

Goede Hoop. Zuid-Afrika en Nederland vanaf 1600 17 febr t/m 21 mei in het Rijksmuseum, Amsterdam. Inl: rijksmuseum.nl