Column

God vreest viriele concurrentie

Joyce Roodnat

Weelde en luxe. Overdaad. Geef maar hier, ik vreet het allemaal. Oftewel, er zijn curieus veel goeie tentoonstellingen op dit moment, allemaal net open en allemaal schreeuwend om bezoek. Het Stedelijk in Amsterdam glorieert met Ed van der Elsken én Tinguely. In het Rijksmuseum Twenthe knallen de grote Italiaanse renaissanceschilders. De expositie in Eye over Béla Tarr schreeuwt vrij zacht, want zo bekend is deze Hongaarse cineast niet. Maar ga erheen. Of liever: ga erin. Na een zaal met een boom in de storm word je in de volgende zalen ingesloten door filmfragmenten. En ook als je nooit iets van deze filmmeester zag, slokt zijn tentoonstelling je op.

Ik bedoel, een expositie moet body hebben, maar dat is niet genoeg. Wat gebeurt er met de kunst die wordt getoond? En hoe gebeurt dat? Daar gaat het om.

In het Gemeentemuseum zie ik op de hallucinerende expositie Piet Mondriaan en Bart van der Leck twee schilders in elkaar overvloeien en op elkaar afketsen. Allebei zoeken ze iets heel groots, namelijk de essentie van wat we zien als we om ons heen kijken. Ze gaan gelijk op en dan scheiden hun wegen zich, je ziet het hier gebeuren. Van der Leck raakt me, Mondriaan wurmt zich mijn verstand in. Hoe onverwacht dat het ineens liefde op het eerste gezicht is tussen mij en een Mondriaan: een raster van zware en lichtere bruine lijnen op een slaapzachtgelige ondergrond. Het schilderij golft en het pinkelt onder mijn ogen. Ik heb de mazzel dat ik met Hans Janssen aan de praat raak. Hij is Mondriaanbiograaf en maker van deze tentoonstelling. „Dat geel is verkleurd, eens gaf het een gouden gloed”, zegt hij. Goud. Mondriaan deed aan goud. Dat verandert de zaak. Ik zal ’m nu altijd anders bekijken.

Van de tentoonstelling Maria in het Catharijneconvent in Utrecht verwachtte ik veel, maar het valt tegen. Ik was uit op lekker veel afbeeldingen van de Visitatie – belachelijk statig woord voor dat eeuwige moment van tederheid: de ontmoeting van twee zwangere vrouwen. Maria en haar nicht Elisabeth, aanstaande moeder van Johannes de Doper, raken elkaars buik aan om de baby’s te voelen schoppen. Er is er hier maar een. Wel een mooie, uit 1465. Maar verder… wat moet ik met een schoolplaat en met die vitrine vol troep uit Lourdes?

Dan zie ik een schilderij van een middeleeuwse Vlaamse meester dat me laat steigeren. Het toont een pervers moment: Maria wordt uitgehuwelijkt aan een bejaarde man. Oftewel: het Opperwezen heeft geen zin in een viriele concurrent. De afgewezen vrijers staan er beteuterd bij te kijken. Vooral die barbaar met de gouden ring in zijn oor is onweerstaanbaar afgebeeld, hem had ik Maria graag gegund. Maar ze is een symbool en een symbool heeft het niet voor het kiezen. Dat legt zich neer (in alle betekenissen) bij die dorre kerel naast haar. Wie? O ja, Jozef.