Opinie

CPB rekent de politiek door: trap er niet in

Opinie Deze donderdag presenteert het Centraal Planbureau de doorrekeningen van partijprogramma’s. Die zijn fictief én politiek sturend, waarschuwt .

Foto iStock

Op 15 maart gaat de kiezer naar de stembus. In de aanloop ernaartoe komen we dat typisch Nederlandse ritueel weer tegen van de doorrekening van partijprogramma’s door het Centraal Planbureau (CPB). Deze donderdag worden de resultaten gepresenteerd. De VVD zal zich op de borst kloppen: een miljoen extra banen in 2060. De SP zal wijzen op de groeieffecten van haar investeringsprogramma van 12 miljard euro. En de PvdA zal zich tooien met de nivelleringseffecten van haar koopkrachtplannen.

Het is je reinste flauwekul. Wie meent dat cijfers over 2060 ‘feiten’ zijn, doet er goed aan de rede te lezen die de neoliberale econoom Friedrich Hayek uitsprak bij de ontvangst van zijn Nobelprijs. De ‘pretentie van kennis’, zo noemde hij de aanmatigende houding van zijn beroepsgenoten als het ging om het voorspellen van de toekomst. De economische werkelijkheid is per definitie te ingewikkeld om voorspeld te kunnen worden, aldus Hayek. Eenieder die iets anders beweert, kletst uit zijn nek. Bovendien kan in coalitieland Nederland geen partij ooit haar programma uitvoeren en zijn de doorrekeningen dus net zo fictief als het eerste het beste kasteelromannetje.

De onvrede over het CPB is groeiende. Was de Partij voor de Dieren ooit de enige die principieel weigerde haar programma te laten doorrekenen, dit jaar doen ook 50Plus en PVV niet mee. Maar ook andere partijen morren. Begin vorig jaar polste de SP GroenLinks, D66 en CDA of het niet tijd werd ermee te stoppen. De SP wilde een boycot. En probeerde daarvoor medestanders te werven. In geen geval wilde de partij alleen komen te staan. Roemer zou anders tijdens de debatten worden afgedroogd. De vrees om niet serieus te worden genomen, was echter zo groot dat de een na de ander afhaakte. Ook de SP is uiteindelijk gezwicht. Overigens liep GroenLinks als eerste weg. Zo diep zit kennelijk de afkeer van ‘economisme’.

Het had de discussie over de rol van het CPB nieuw leven kunnen inblazen. Achter de schijnbaar neutrale, objectieve en harde cijfers gaan namelijk politieke keuzes schuil die beleid dat afwijkt op voorhand uitsluiten en beleid dat zich conformeert aan het heersende paradigma belonen. Wil je als partij goed uit de verf komen dan weet je wat je moet doen: meer flexibilisering van de arbeidsmarkt, hogere pensioengerechtigde leeftijd en lagere uitkeringen. Doe je het tegenovergestelde, dan word je daar genadeloos voor afgestraft.

Ook weet je dat investeren in onderwijs zinloos is: de opbrengsten zijn te ongewis en laten te lang op zich wachten. Dat belastingontwijking prima is, omdat de gevolgen voor buitenlandse schatkisten toch niet worden meegenomen. Dat hogere lonen vergeefs zijn omdat het alleen maar banen kost. En dat alles wat ingrijpender is dan dat – van ontvlechting van de euro (PVV) naar radicale verduurzaming (PvdD) – überhaupt niet doorgerekend kan worden: past niet in het model.

Maanden voor de partijprogramma’s worden vastgesteld, lopen de partijen de deur van het CPB plat om samen met de rekenmeesters hun plannen zo in te richten dat ze zo hoog mogelijk scoren. De modellen zijn bij vrijwel alle partijen leidend geworden. Het CPB bepaalt wat politiek haalbaar is en drukt daarmee een enorme stempel op het politieke landschap.

Het gevolg is een onthutsend gebrek aan politieke verbeelding

Voorstanders van doorrekening schermen met het argument dat het ‘disciplineert’. Of zoals minister Dijsselbloem tegen de NOS zei: het voorkomt dat politici knollen voor citroenen verkopen. Daar bedoelt hij mee dat het voorkomt dat politici beloftes doen waar geen financiële dekking voor bestaat – een Haagse doodzonde. Hoe plausibel dit ook lijkt – er bestaat immers geen ‘gratis bier’ – het is deze kant van de doorrekeningen die democratisch het meest problematisch is. Juist doordat de modellen impliciete politieke keuzes bevatten, is de ‘disciplinering’ die van de doorrekeningen uitgaat ideologisch gekleurd. Eerder dan van ‘disciplinering’ is er sprake van bepalen en bewaken van de heersende beleidsconsensus. Het CPB dus niet als rekenmeester maar als ideologische zedenpolitie: alles is goed zolang het maar marktwerking is.

Het gevolg is een onthutsend gebrek aan politieke verbeelding. Middenpartijen zijn allemaal grijstinten van D66 geworden: vóór marktwerking, vóór vrijhandel, vóór een flexibele arbeidsmarkt, vóór meer Europa. En groei van het bruto binnenlands product is heilig verklaard. Zoals de Rotterdamse socioloog Willem Schinkel schrijft: politiek is in Nederland boekhouden en politici zijn bonentellers.

Het is niet altijd zo geweest. Tot diep in de jaren zeventig werd in de Kamer nauwelijks gesproken over de ‘economie’, het ‘bruto binnenlands product’, het ‘nationale inkomen’ of ‘economische groei’. Anno 2017 komen deze zoektermen duizenden malen voor in de parlementaire verslagen. Het CPB is dan ook veruit de meest geciteerde adviseur in Kamerstukken. Het tekent de dictatuur van de bonenteller en de verschraalde politieke verbeelding dat prijzen en niet waarden, koopkrachtplaatjes en niet visies het politieke debat domineren.

Het verklaart tevens het sluipende ongenoegen bij een groeiende groep kiezers. Die zien volwassen mannen over elkaar heen buitelen over twee cijfers achter de komma, terwijl hun zorgen over de toekomst ongeadresseerd blijven. Is het dan vreemd dat kiezers zich aangetrokken voelen tot partijen die zich niets gelegen laten liggen aan het cordon sanitaire dat de middenpartijen hebben opgetrokken? En die maling hebben aan de ‘schijnfeiten’ van het CPB?