Column

Bloedlijn

Column Ellen Deckwitz

Afgelopen zaterdag bezocht ik met mijn zus een graf en vlak daarna zat ze onder het bloed. Het begon ermee dat alle gepensioneerden in mijn familie de laatste tijd bezig zijn met genealogie, want hé, je raakt op een zeker moment toch uitgekeken op fulltime Wordfeud en elektrisch fietsen. Wat bij het stamboomonderzoek helpt is dat mijn grootvader van adellijke komaf was: die stambomen zijn iets beter gedocumenteerd dan die van keuterboeren of wallaby’s. Toen mijn zus en ik vervolgens hoorden dat er vlakbij de restanten van een verre voormoeder lagen, stapten we in de auto, klaar voor een dagje stamboomtoerisme.

„Arm meisje”, zuchtte mijn zus toen we aan het graf van onze voormoeder stonden, een kindbruidje dat in de tiende eeuw vanuit Byzantium naar Europa kwam. „Ik bedoel, leuk dat we dankzij haar bestaan, maar om als twaalfjarige opeens in het koude Europa tussen volslagen onbekenden terecht te komen, brrr.”

Ik wist niet of het bruidje daar zelf mee zat. Tijdens mijn vakken mediëvistiek werd vooral benadrukt dat de belevingswereld van de vroege Middeleeuwer haaks op de onze staat: ze dachten in wij-vorm, zagen in elk tastbaar deel van de werkelijkheid de hand van God. Onlangs herlas ik Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen, waarin hij inzichtelijk maakt hoe de geest van de Middeleeuwer werkte. Hun leven was veel intenser en gevaarlijker dan het onze, wat gevolgen had voor hun ervaring: „Tussen leed en vreugde, tussen rampen en geluk, scheen de afstand groter dan voor ons, al wat men beleefde had nog die graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, die de vreugde en het leed nu nog hebben in de kindergeest.”

„Dus”, zei ik tegen mijn zus, „we weten misschien wel de afkomst van onze voorouders, maar we hebben geen idee van wat er in hen omging. Tussen de belevingswereld van iemand uit de tiende eeuw en de onze zit een even grote kloof als tussen een Canadees en een Noord-Koreaan.” Net zoals ons nageslacht over honderd jaar waarschijnlijk bionisch is en zich niet meer kan voorstellen wat er tussen ónze oren gebeurde.

Ik was zo diep in gedachten verzonken dat het me te laat opviel dat mijn zus bleek wegtrok. Wat bleek: ze was acuut ongesteld geworden. Aan het graf van iemand aan wie ook wij onze vruchtbaarheid dankten. Met een kermende zus liep ik terug naar de auto. Ik voelde me ergens getroost. Misschien, dacht ik, is dit het dichtste dat we bij onze voorouders kunnen komen: we bewonen de lichamen die ze aan ons doorgaven. We delen dezelfde vreugdes en ongemakken, hoezeer tijd en cultuur ons er ook van proberen te overtuigen dat we meer zijn dan vlees.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.