Recensie

Topmuzikanten uit Wales en Senegal delen liefde voor de harp

In het Bimhuis speelde Catrin Finch uit Wales met de Senegalese Seckou Keita.

Hij speelt met twee vingers, zij met vier. Hij heeft 21 snaren van visdraad, zij heeft er 47 van schapendarmen. De klankkast van zijn kora is een kalebas en heeft hij drie verschillende halzen nodig om de toonvariaties te kunnen volgen, zij heeft slechts drie pedalen om van toonsoort te wisselen.

Maar in essentie zijn het dezelfde instrumenten die Catrin Finch uit Wales en Seckou Keita uit Senegal bespelen: harpen. Beide landen kennen ook een lange bardische traditie op het instrument. Het Keltische erfgoed sluit in de handen van de twee topmuzikanten naadloos aan bij dat van West-Afrika. Het is een warm bad van tintelende noten.

Ze begeleiden elkaar, soleren door elkaar heen, wisselen in ritme, zoeken toenadering in harmonieën. Elk stuk is een zoektocht naar gelijkenissen tussen twee culturen die geografisch mijlenver uit elkaar liggen. Wanneer Finch composities uit een Middeleeuws manuscript aandraagt, zoekt Keita daar een stuk bij uit de griottentraditie uit dezelfde tijd. Met verbluffend resultaat. Alleen door goed kijken is te achterhalen welke noten Welch zijn en welke Senegalees.

Hun album Clychau Dibon is alweer vier jaar oud, ze teren nog op dat succes. Gelukkig was er in Amsterdam ook al wat nieuw materiaal te horen. Op het nieuwe album zou meer ruimte voor Keita’s stem niet misstaan. Hij is behalve koraspeler namelijk ook griot, lofzanger. Hij liet zijn stemkunst vrijdagavond slechts heel even horen, bij een stuk over een verdwenen dorp uit Wales.