Recensie

Het revolutionaire potentieel van wraak

Essay Het verhaal van vrede, economische groei door globalisering is kletskoek, maar leidt wel tot wrok. Dat is ook waar populisten op inspelen. Ze ruiken de overwinning door een lamme elite.

Anti-Europese populisten komen bij elkaar in Koblenz. Michael Probst/AP

Gaat de pluriforme democratische orde inderdaad het onderspit delven? De eerste teerling wordt over vier weken geworpen. Dan weet Geert Wilders of hij ‘schoon schip’ mag maken. Dan ook weet Thierry Baudet of hij ‘de huidige elite kan verslaan en vervangen door een nieuwe elite die Plutarchus op school’ in ere herstelt. De Franse presidentsverkiezingen in mei zijn een tweede climax. De apotheose volgt eind september met de Bondsdagverkiezingen in Duitsland.

De uitdagers hebben in deze krachtmeting tussen representatieve democratie en populisme het tij mee, zeker na de mokerslag die Donald Trump in de Verenigde Staten uitdeelde. De gevestigde orde ligt op apegapen. Maar ook als die de komende verkiezingen zonder te veel kleerscheuren doorkomt, is er volgens de auteurs van vier boeken over het hedendaagse populisme nog geen reden de verloven in te trekken. Populisme is volgens Hans Wansink een ‘groeimarkt’: in het hele Westen.

In de Verenigde Staten heeft het populisme altijd meer voet aan de grond gehad dan in Europa. Logisch. ‘We the people’ uit de Amerikaanse grondwet vraagt om leiders, die zich opwerpen als spreekbuizen van ‘hét volk’ en beloven korte metten te maken met de ‘corrupte elite’ en haar ‘special interest groepen’. Na de Burgeroorlog (1861-1865) stak de People’s Party de kop op. De twintigste eeuw was ook rijk aan populisten: gouverneurs Huey Long (Louisiana, vermoord in 1935), George Wallace (Alabama, net niet vermoord in 1972) en zakenman Ross Perot (Texas, de presidentskandidaat die George H. Bush sr. in 1991 zo in de weg zat dat Bill Clinton kon winnen) kwamen een eind. Donald Trump is de eerste die de hoogste macht heeft veroverd.

Elitair

Omgekeerd heeft Europa meer ervaring met communisme, fascisme en nationaal-socialisme. Ook logisch. Door zijn feodale aristocratische verleden is volkssoevereiniteit hier meer theorie dan praktijk. Europese politiek is a priori elitair. Een populistische beweging als de narodniki in het Russische keizerrijk liep zichzelf daarom dood. Deze jongelui uit de stad, die na 1860 het volk op het platteland opzochten om ze op te wekken tot een boers socialisme, legden echter wel een basis voor politiek geweld.

De roman Wat te doen? (1863) van Nikolaj Tsjernysjevski inspireerde Lenin tot het elitaire organisatiemodel van de beroepsbolsjewiek. De narodniki – namens het volk, niet met het volk – schiepen zo indirect de voedingsbodem voor het succes van de communisten in 1917. Andere totalitaire stromingen na de Eerste Wereldoorlog in Italië, Portugal, Duitsland en Spanje waren eveneens elite-bewegingen, die zich de taak toe-eigenden om het volk top-down te redden.

Er zijn niettemin ook overeenkomsten tussen de Nieuwe Wereld en het Avondland. Eén analogie is het wantrouwen dat de (grote) stad kan oproepen bij het (platte)land. De stad staat voor de kosmopolitische handel en losbandigheid van ‘plutocraten’, het land voor noeste arbeid en culturele zuiverheid van het ‘volk’. Die spanning heeft regelmatig tot oorlog geleid, ruim twintig jaar geleden nog in Bosnië waar de multiculturele stad Sarajevo toen ongekende haat opriep bij de nationalistische milities.

Er zijn nog meer parallellen.

De representatieve democratie heeft het Westen ongeveer driekwart eeuw gedomineerd. Deze pluralistische orde werd geschraagd door (conservatieve) liberalen, sociaal-democraten en christen-democraten. Trans-Atlantisch kwam er na 1979 een eind aan de verzorgingsstaat die dit systeem had gebouwd. Op het continent duurde het tien jaar langer voordat de Washington Consensus (‘dereguleren, liberaliseren en privatiseren’) oprukte. Maar overal bleef de pluralistische basis in tact.

Een kwart eeuw na de ontmanteling van de Berlijnse Muur en de Sovjet-Unie – de cesuur die het neoliberalisme vleugels gaf – staat het bestel nu wél op het spel.

Onaangename waarheden

De kredietcrisis van 2008-2009 markeert de ommekeer. Sinds de Grote Recessie, zoals onze tijd wordt genoemd in een verwijzing naar de Grote Depressie in de jaren dertig, kunnen zeker drie onaangename waarheden en/of leugens niet meer onder het tapijt worden geveegd.

Ten eerste. Voor de fiscus is niet iedere burger gelijk, anders dan het meritocratische neoliberalisme suggereert. De ritselende financiële sector, meester in het omzeilen van nationale belastingen, heeft immers het vege lijf gered op kosten van de modale belastingbetaler, terwijl industriële ondernemers kapot worden geconcurreerd door laag betaalde arbeiders uit protectionistisch Azië en Latijns-Amerika.

Ten tweede. Volgens diezelfde meritocratie is iedereen op de arbeidsmarkt juist wel gelijk. Als de eigen arbeiders te duur worden, zetten bedrijven de deur open voor goedkopere migranten. Die fiscale race to the bottom en arbeidsmigratie vergroten niet alleen de afstand tussen arm en rijk in eigen land, maar ondermijnen ook de verzorgingsstaat. De middenklasse heeft steeds minder trek om een steeds groter deel van de collectieve voorzieningen te betalen, als die ten goede komen aan immigranten met een andere taal, huidskleur of godsdienst.

Ten derde. Het verhaal dat globalisering voor iedereen een win-win-situatie is, omdat vrijhandel leidt tot economische groei en vrede, is kletskoek. Witte boord-werkers weten haarfijn dat juist zij de dupe zijn van de vierde industriële ICT-revolutie, die volgens de mannen met gespschoenen in Davos op de dagorder staat. Ze worden gemangeld, net zoals de blauwe boorden in het Westen vanaf de jaren zeventig werden weggevaagd door de industrieën in het nieuwe Oosten. Zoals klassieke arbeiders indertijd afscheid namen van klassiek links, zo wenden nu middengroepen zich af van het pluralisme.

Sociologen zien dit ‘spook van de rechtse arbeidersklasse met zijn tegennatuurlijk stemgedrag’, zoals Peter Achterberg en Dick Houtman het in 2003 verwoordden, al sinds de paarse coalitie. Journalisten hebben de boot evenmin gemist. Thomas Frank schreef in 2004 What’s the Matter with Kansas? How Conservatives Won the Heart of America. Een decennium later volgden Geert Mak met Reizen zonder John en George Packer met The Unwinding. Maar voor veel klassieke politici waren dit parels voor de zwijnen. Progressieven vertrouwden op de illusie dat hun regenboog brede kiezersgroepen aansprak. Neo-liberalen gokten op een soort vulgair marxisme, hopend dat de middenklasse zich liet paaien met lage prijzen en lage rentes.

Hun maakbaarheidsgeloof wordt nu bestraft. Want waarom heeft het populisme in Europa zo’n vlucht genomen? Volgens Jan-Werner Müller door de technocratische manier waarop de eurocrisis is bestreden door Dijsselbloem cum suis. De aanpak van die crises was niet onderworpen aan een politiek debat, maar aan een stramien dat niet ter discussie stond. Populisten en technocraten lijken op elkaar, aldus Müller. Beiden geloven dat er maar één hogere macht is: hun politieke oplossing dan wel hét volk. Alternatieven zijn er niet.

Wat is populisme nog meer? Alle auteurs zijn bijna slaapverwekkend eensgezind. Links of rechts, het draait volgens de oerdegelijke Cas Mudde en Cristobal Rovira Kaltwasser om ‘drie kernconcepten’: volk, elite en algemene wil. Omdat het volk eenduidig is, keren populisten zich niet alleen tegen de elite, maar ook tegen pluralisme. Vandaar dat de Turkse leider Erdogan ooit op een partijcongres zijn critici in eigen land zo toesprak: ‘Wij zijn het volk. Wie zijn jullie?’ Dreiging komt in de ogen van populisten van buiten: uit den vreemde of van een vijfde colonne. Plebs = populus, schrijft Müller, wiens historisch-filosofische Wat is populisme? het beste van de hier besproken vier boeken is.

Tegen de islam

Hoe populisme gedijt, hangt van de lokale omstandigheden af. Zuid-Europa bestrijdt het financieringskapitalisme vanuit Brussel. Mediterraan populisme appelleert aan het volkse van de narodniki. In Noord-Europa is men door de arbeids- en verzorgingsstaatmigratie vooral tegen de islam gekant. Populisten wekken hier daarom de indruk dat er een weg terug is naar het cultureel homogene nationaal-kapitalistisme van de jaren zestig.

Een moderne vorm van fascisme? Nee, aldus Wansink: ‘Het gelijkstellen van populisme aan rechts-extremisme en zelfs fascisme zet ons op een dwaalspoor’. Zijn boek De populistische revolte mist, door allerhande hapsnap-terzijdes, analytische focus en compositorische discipline, maar deze stelling van Wansink onderschrijf ik. Om twee redenen.

Ten eerste. Het woord fascisme is helaas een containerbegrip. Ook de fascistische duivel schijt echter niet op één hoop. Mussolini en Hitler waren bondgenoten, maar niet identiek. In Nederland lieten Jan Baars (De Bezem), Arnold Meijer (Zwart Front) en Anton Mussert (NSB) zich evenmin over één kam scheren. Kortom, een nazi mag je best een fascist noemen, maar niet elke fascist is een nazi.

Ten tweede. Wat zijn de belangrijkste kenmerken van fascisme?

De Duits-Amerikaanse filosoof Adorno lanceerde na de oorlog zijn f-schaal om de vraagzijde van het fascisme te categoriseren. Karakteristieken van de mens die f-gevoelig is? Een hang naar sociale en religieuze conventies, conformisme en gezag. De behoefte om deviant gedrag met geweld de kop in te drukken. Het verlangen naar stevige machthebbers. En een afkeer van het subjectieve, van verbeelding en ook van zelfkritiek of empathie voor de ander.

De aanbodkant van het fascisme is door uiteenlopende wetenschappers ook gerubriceerd. Enkele criteria uit een lange lijst. Nostalgie: heimwee naar een harmonieuze premoderne samenleving of imperiale grootsheid uit het verleden. Antipluralisme: in de politiek is geen plaats voor minderheden. Eenheidscultus: wie niet voor ons is, is tegen ons. Machismo: de leider doet het als anderen slapen. Viriliteit: de onbedorven jeugd heeft de toekomst. Paranoia: niets is toeval, overal complotteert de vijand, die qua bloed en afkomst zwak is maar door haar wereldwijde tentakels juist gevaarlijk. Totalitair: het andere heeft geen recht van bestaan. Gelijkschakeling: een newspeak, die het maatschappelijke discours én het leven van individuele burgers vergiftigt. Geweld: alleen helden winnen, geweld is heroïsch en dus een ethisch en esthetisch machtsmiddel.

Sommige populisten van nu scoren goed op dit afvinklijstje. Maar één criterium is op geen van allen van toepassing: verheerlijking van geweld. Er lopen geen zwarthemden door de straat. Dat is cruciaal. Geweld is de crux van het fascisme.

Een andere, zij het veel minder ingrijpende, parallel is er wel. Ook populisme is een eclectische mix. Een ‘politieke logica – een manier van denken over politiek’, aldus John Judis in zijn journalistiek opgetuigde The populist explosion. Wraak is daarbij een sleutelbegrip. Onderschat het revolutionair potentieel van wraak niet. De Russische revolutie van een eeuw geleden was allereerst een gewelddadige afrekening, en daarna pas een totaal toekomstidee.

Vooralsnog lijkt wrok nu vooral een geestelijk gemoed, geen fysiek gedrag. Die kloof tussen woord en daad is demografisch. Populisme gedijt in het Westen primair onder ouderen, die vooral thuis bij de televisie uiting geven aan opstandige stemmingen. Een bestorming van het staatskasteel vereist echter jongeren, die bereid zijn de stenen uit de straat te trekken voor een goede knokpartij met de politie en zich daarbij moreel gesteund voelen door hun generatiegenoten. De omvang van die laatste groep is nu te klein. Circa 37 procent van de millennials, kwantitatief toch al geen babyboom, stemde op Trump. De macht van het getal berust bij de 50plussers.

De populistische beweging is daarom vooral een electorale revolte. Maar daarmee is het laatste woord niet gezegd. Tegenover de spraakmakende populisten, die een overwinning ruiken, staat namelijk een sprakeloze elite, die geen zelfvertrouwen durft te etaleren. Zie de brieven aan het volk van Mark Rutte en Lodewijk Asscher die, hoe verschillend ook, defensief zijn. De oude orde is niet weerbaar meer. De nieuwe orde heeft wel Wille zur Macht.