Recensie

Trainspotting 2 is dwingend als een trein die voortdendert

Boyle laat zijn vertrouwde, niet langer revolutionaire, stijlarsenaal op deze episodes los. Het werkt nog steeds.

De jongens 20 jaar later: Renton, (Ewan McGregor), Spud (Ewen Bremner), Sick Boy (Jonny Lee Miller) en Begbie (Robert Carlyle)

Hoe maak je een vervolg op een film die twintig jaar geleden de tijdgeest zo vol op de kin raakte? Dat stelt al snel teleur, want in 1996 was Trainspotting de film van het jaar: je moest hem gezien hebben. Omdat hij zo vreselijk snel en grappig was.

Regisseur Danny Boyle wierp zich op als grootmeester van de hyperkinetische, flitsgemonteerde, fragmentarisch vertelde en met popmuziek gelardeerde filmstijl van de generatie-Tarantino. Maar Trainspotting was ook dé film van ‘Cool Britannia’, dat zich uit grimmige Thatcher-jaren oprichtte om schoorvoetend en ironisch de neoliberale orde van Tony Blair te omarmen.

Dat betrekkelijke optimisme is te veel gevraagd nu de jongens van toen tobbende veertigers en vijftigers zijn. Psychopaat Begbie zit permanent in het gevang, schlemiel Spud is een verslaafde suïcidale vader, Sick Boy een coke snuivende chanteur. Hun leven is nauwelijks veranderd, dat van verteller Mark Renton ligt in duigen. Na twintig jaar in Amsterdam – T2 begint met een beeldcollage van molens, coffeeshops, Cruijff en Van Persie – keert hij terug naar Edinburgh.

Lees ook het interview met de makers van T2: Nog steeds met lust voor het leven

Zo begint de grote reünie, met episodes die zich in hetzelfde ijltempo aaneenrijgen als bij Trainspotting. Sick Boy die hoerenlopers chanteert. Spuds in kots en plastic gesmoorde zelfmoordpoging. Sick Boy die Renton tot pulp slaat: indertijd vertrok hij met zijn geld. Een verbroedering en nieuwe schelmenstreken om Sick Boys gribuskroeg Port Sunshine tot een bordeel op te waarderen. Intussen ontsnapt Begbie, hervat zijn criminele loopbaan en gaat op jacht naar Renton.

Boyle laat zijn vertrouwde, niet langer revolutionaire, stijlarsenaal op deze episodes los: scheve ‘dutch angles’, freeze frames, slowmotion, versnelling, extreme close-up, bizarre camerastandpunten, flashback en flashforward, flitsmontages, harde muziek. Het werkt nog steeds: T2 is dwingend als een voortstampende trein. Zij het zonder een echt eindstation – maar was ook Trainspotting niet een losse verzameling anekdotes en situaties die zomaar ergens stopte? Zonder Rentons vertelstem voelt het ditmaal meer als los zand.

T2 kijkt voortdurend terug op Trainspotting, maar slaagt juist daarom als nostalgietrip voor makers én kijkers: wat hebben twintig jaar u eigenlijk aangedaan? Onder Boyles flitsvertoon ligt een deprimerende, niet bijster originele onderstroom: de middelbare leeftijd draait om desillusie, routine, verval en terugkijken: zie de sneue kindmannen oude hitjes draaien en zich opwinden over ‘epische’ Schotse voetbalmomenten uit het grijze verleden. Het heden heeft minder te bieden.

Maar op een gekke manier weet T2 zo toch weer de tijdgeest te raken. Dit gaat over de dood van Cool Britannia, over Brexit: de ‘likely lads’ zijn boze witte mannen geworden.