Opinie

Vertrouwen in de wetenschap is juist groot en stabiel

Het vertrouwen in de wetenschap ís niet tanende, schrijven Peter van der Velden en . „Wetenschap heeft juist aan glans gewonnen.”

Beweringen dat vertrouwen in de wetenschap erodeert, staan haaks op resultaten van verschillende onderzoeken. Weliswaar bestaan er sinds Trump ‘alternatieve feiten’ maar „dat wetenschap ook maar een mening is” wordt door weinigen gedeeld. Wetenschap heeft juist aan glans gewonnen gezien de interesse voor wetenschappelijke doorbraken. Linkse of rechtse doorbraken bestaan niet, ook al suggereert een motie van Duisenberg en Straus (VVD) dat wetenschappers een ‘linkse kliek’ vormen (NRC, 9/2).

In een NRC-bijdrage (1/2) stelt professor Gabriël van den Brink de volgende, tweeledige vraag: „waarom het vertrouwen in de wetenschap zo erodeert en wat we daaraan kunnen doen?” Volgens hem is het een uitgemaakte zaak dat het vertrouwen in de wetenschap (sterk) erodeert of afneemt – maar is dat werkelijk zo?

Verliezen burgers heden ten dage massaal hun vertrouwen in wetenschap en/of de producten die deze voortbrengt, zoals gps, pacemakers en therapieën? De snelle stijging in de consumptie van deze vernieuwingen zegt in ieder geval iets over het verlangen of de behoefte ernaar. En wat te denken van de populariteit van wetenschappelijke zenders en programma’s op tv zoals National Geographic, Het Klokhuis, De kennis van nu en Tegenlicht.

Wat zeggen de feiten? Het zogeheten LISS-panel (Longitudinal Internet Studies for the Social sciences) dat bestaat uit een omvangrijke aselecte steekproef onder de Nederlandse bevolking, geeft een duidelijk antwoord. In dit panel, uitgevoerd door CentERdata, wordt vanaf 2007 jaarlijks uitgebreid gevraagd naar het vertrouwen in de wetenschap en in diverse andere organisaties, zoals politici, media, gezondheidszorg en rechtssysteem (minimale score 0, maximale score 10), naast een reeks andere onderwerpen.

De antwoorden van bijna 2.000 respondenten die vanaf 2007 aan acht metingen hebben deelgenomen, die goed vergelijkbaar zijn met de antwoorden van alle deelnemers per jaar, tonen het volgende. Vanaf 2007 is de gemiddelde score op „vertrouwen in de wetenschap” een 7. Laag-, midden- en hoogopgeleiden wijken, ofschoon gering, onderling daarin wat af. Deze wetenschappelijke gegevens, die overigens vrij toegankelijk zijn voor wetenschappelijk en beleidsmatig onderzoek, ondersteunen de stelling van Van den Brink in ieder geval niet.

Het vertrouwen in de wetenschap in Nederland blijkt de afgelopen bijna tien jaar behoorlijk stabiel te zijn en een stuk hoger dan het vertrouwen in bijvoorbeeld politici (gemiddelde 4,8) en de media (gemiddelde cijfer 4,9). Het gemiddelde cijfer voor vertrouwen in de wetenschap ligt een fractie hoger dan hetzelfde cijfer voor de gezondheidszorg (gemiddeld 6,6).

Als verklaring voert Van den Brink de overvloed aan informatie op het net aan: „Nu is er voor elke opinie een aantal ‘bewijzen’ op het net te vinden.” Geldt dit ook voor dit (alternatieve) feit? Een zoektocht op het net geeft inderdaad snel een hit, maar een hit die de stellige uitspraak juist ontkent. Het betreft een eerder en kortdurende studie van het Rathenau Instituut (2015) dat op basis van empirisch onderzoek in 2012 en 2015 concludeerde: „Het vertrouwen in de wetenschap in Nederland is anno 2015 onverminderd hoog.” Deze uitkomsten sluiten goed aan bij ons beeld over de afgelopen tien jaar. Dat wetenschapsfraude voorkomt doet daar in essentie niets aan af: de ophef is telkens groot juist omdat het niet wordt geaccepteerd en juist omdat mensen op wetenschap willen vertrouwen.

Of mensen de wetenschap beschouwen „als een linkse kliek” is evenzeer de vraag. Als dat waar zou zijn, dan is te verwachten dat mensen, naarmate zij zichzelf als meer rechts beschouwen, minder vertrouwen in de wetenschap hebben. In het LISS-panel worden de politieke voorkeuren en overtuigingen eveneens uitgebreid onderzocht. Uit analyse van deze gegevens blijkt echter dat het vertrouwen niet samenhangt met de mate waarin mensen zich als links of rechts beschouwen. Dat stemt overeen met bevinding dat naarmate men meer sympathie voelt voor een grote politieke partij, of dat nu VVD, CDA, D66 of PvdA betreft, men wat eerder vertrouwen in de wetenschap, maar ook in de zorg of media heeft. Voor de PVV gelden deze verbanden niet. Dit alles roept de vraag op waarom deze debatten, met inachtneming van wat bekend is, plaatsvinden. Is het dat status meer wordt ontleend aan bezit en geld dan aan ideeën? Is het de opkomst van het populisme of de geopperde toenemende minachting voor de intellectuele elite?

Of is hier sprake van een nieuwe mediahype en wordt vanuit de wetenschap wat slap gereageerd en geven wetenschappers te gemakkelijk aan deze tendens toe? Wanneer wetenschappers de eerlijke feiten laten spreken, ontstaat een ander beeld. De wetenschap vormt hier en elders nog steeds een ongelofelijke rijke bron van inspirerende ideeën en vernieuwende toepassingen. Hiervoor bestaat geen alternatief, net zomin als voor de debatten die onlosmakelijk onderdeel vormen van de wetenschap.