Keizer wilde vooral geen held zijn

Herinneringen

Hij genoot van het spelletje, maar van die ‘kouwe drukte’ er omheen moest hij niks hebben. „Ik heb nooit gevraagd of iemand kwam kijken.”

Piet Keizer in actie in de benefietwedstrijd die hij zelf organiseerde, in 1997 voor de nabestaanden van zijn vroegere teamgenoot Dick van Dijk. Tegen Van Dijks oude club ONA, in Gouda, bracht Keizer het grootste deel van het Ajax uit 1971 in het veld, inclusief Johan Cruijff. Hij voetbalde die dag voor het eerst sinds hij in 1974 was gestopt. In de met 2-0 gewonnen Europa Cup-finale in 1971 tegen Panathinaikos maakte Van Dijk de 1-0 uit een voorzet van Keizer. Foto Toussaint Kluiters/ANP

Gewoon Piet Keizer. Wars van adoratie en welke vorm van idolatrie dan ook. Niks mysterieus, niks geniaal, niks poëtisch, niks fenomenaal. Piet wilde niet herinnerd worden als de legendarische linksbuiten van Ajax met de verbazingwekkende, onvoorspelbare schaarbeweging. Van lyriek en fantasie begreep hij geen snars. Hij deed gewoon de dingen die hij wilde doen. Hij zei gewoon de dingen die hij wilde zeggen. Dat anderen er iets bijzonders in zagen, moesten zij weten.

Natuurlijk had Piet vreugde beleefd aan wat hij heeft gedaan als voetballer. Natuurlijk juichte hij na een doelpunt, schepte hij genoegen in een geslaagde passeerbeweging of een succesvolle vrije trap waarmee hij de bal over het muurtje in het doel had gekruld. Dat vond hij zo leuk aan voetballen. Maar die ‘kouwe drukte’ er omheen, vooral van de journalisten of, nog erger, van een select gezelschap prominente schrijvers dat hem zo nodig wenste te bewieroken in poëtische lofzangen; als hij in staat was geweest zoiets te verbieden, had hij het gedaan. Sommige dingen die over hem werden gezegd, vervulden hem met walging.

Zo ervoer Rik Planting tijdens een opvallend openhartig gesprek voor het boek Lucky Ajax, de eregalerij (1996). ‘Al heel snel had ik beslist dat die publiciteit voor mij niet hoefde. Het werd omgedraaid: ik vond voetballen heel leuk, maar ik heb nooit of te nimmer gevraagd of iemand kwam kijken (...) Een dichtbundel voor mij is het toppunt van wat ik niet kan en wil begrijpen. Ze denken: hé, dit is hot, daar moet ik bij zijn, daar moet ik aan meedoen.’

Verdwazing van het publiek

Weg was de adoratie. Weg was de vereenzelviging met ‘Pietje Keizer’, wiens acties je als jongen probeerde na te doen op straat of op het trainingsveld, zodra ik op latere leeftijd als journalist oog in oog met hem stond. En zeker zodra ik Plantings boek las: ‘Publiek reageert op de actie, niet op de bedoeling. Niemand wist wat mijn bedoeling was. De ene keer lukte het, een andere keer niet. Maar mijn bedoeling was altijd oprecht. Uiteindelijk lukte er altijd minder dan ik wilde. (…) De verdwazing van het publiek kan toch geen kick geven? (…) Ik begrijp niet dat er zoveel mensen zijn die zich kunnen opwinden, zo betrokken kunnen zijn.’

Het zijn van die passages die mij in mijn leven hebben doen inzien hoe betrekkelijk de kwalificatie ‘held’ in de sportbeleving is. „Helden zijn mensen die zijn opgestaan uit de dood, die bloed hebben zien vloeien. Sportmensen zijn geen helden, dat zijn gewoon mensen die een kunstje beter uitvoeren dan een ander”, zei Piet tegen me aan de vooravond van een duel tussen Bayern München en Ajax, ergens jaren 90. Piet zat naast zijn vriendin toevallig tegenover me in een hotel even buiten München. Hij was zeer vriendelijk en complimenteerde me met mijn analyses in NRC Handelsblad over Ajax: „Jij gaat gelukkig niet mee met die euforie van je collega’s en dat geschreeuw van Van Gaal over zijn succesformule. Dat voetbal van Ajax slaat nergens op. Ik zie geen lol, ik zie alleen computerspel. Het is allemaal zo betrekkelijk, dat voetbal. Vandaag noemen ze een speler een held, morgen bestaat hij niet meer. Vertel mij wat. Ik heb er nooit aan meegedaan. Maar, ach laat maar.”

Het werd een genoeglijke avond, vanzelfsprekend laten wederzijdse complimenten je niet onberoerd. Piets vriendin, zijn tweede vrouw, straalde en Piet straalde met haar mee. „Weet je wat ik zo mooi vind”, zei Piet, „zij vindt jou leuk en jij doet alsof je niet weet wie ik vroeger was. Gewoon, samen zitten praten over voetbal en het leven, daar houd ik van. Voetbal is mijn leven, altijd geweest. Totdat ik merkte dat het einde was gekomen, ergens in oktober 1974. De andere spelers waren klaar met mij. [Trainer] Hans Kraay wilde iets anders, toen zei ik: ‘Krijg de klere maar, ik stop ermee’. De beste beslissing die ik heb genomen. Maar nu wat anders graag.”

Ik voelde me op mijn gemak bij Piet. Hij kon chagrijnig kijken, narrig zijn en irritant zwijgen. Als je hem maar in zijn waarde liet, gewoon Piet Keizer, niet meer en niet minder. Op een middag in de lounge van een Brussels hotel aan de vooravond van een wedstrijd België-Nederland, zat ik tussen Piet en Johan Cruijff, omringd door hun echtgenotes en KNVB-voorzitter Jeu Sprengers. Johan had het hoogste woord, Piet stootte me telkens aan en knipoogde. Danny, Johans vrouw, nodigde Piets partner uit te gaan shoppen, mogelijk het gepraat van haar man beu. Want Johan had alles gezien, alle voetbalzenders gezien, niks was nog een geheim voor hem.

Johan filosofeerde over spelregels en andere voetbalwijsheden. Waarop Piet zei: „Ze moeten de cornervlaggen weghalen.” Johan zei ‘ja’. Waarop Piet zei: „En die doelpalen moeten ook weg.” Johan gaf Piet gelijk. Johan ging maar door. Toen sprak Piet de gedenkwaardige woorden: „Als ik jou goed begrijp moet je het hele voetbal afschaffen. Mij best, hoor. Maar misschien krijg jij daar het meeste last van.”

Daar zaten dan de mannen die ik bij Ajax had zien toveren, de ene door zijn frivoliteit, de andere door zijn geniale inzicht. Beiden eigenzinnig. De een leefde in een obsessie. De ander in een nieuwe gedaante, die van afstandelijke analist, een man die zijn leven in tweeën deelde en niet helemaal wist waar hij zich thuis voelde.

In veel beschouwingen wordt Piet Keizer neergezet als een man die zich had voorgenomen Johan Cruijff tot aan zijn dood te dwarsbomen. Zo heb ik het niet ervaren. Piet was gewoon niet volgzaam. Niet ten aanzien van Cruijff en zeker niet ten aanzien van zijn coach Rinus Michels, die zoals hij later verwoordde hem het plezier in voetbal afnam. Door Michels werd voetballer zijn een beroep. ‘Ik vond wat hij deed beknotting, bevoogding’, zei Keizer tegen Rik Planting.

Niettemin begreep Keizer naderhand dat Michels de basis had gelegd voor het latere succes van het Nederlandse voetbal, door diens invoering van discipline en zijn nadruk op het belang van het collectief. Maar leuk? Nee, die tijd was voorbij. Die alom bewonderde schaarbewegingen, die vrije trappen met een krul, die passes en kogelharde schoten, dat gaf pas echt plezier. Wat men er ook van vond.

Nuchter? Piet nam laat op een avond zijn telefoon op. Ik zei hem wie ik was. „Aha, die afstandelijke journalist die altijd op zoek is naar de waarheid. Wat een eer. Je bent zeker dronken. Bel morgen maar terug, dan vertel ik je wat ik ervan vind. Welterusten.”

Het was de ultieme schaarbeweging. Onvoorspelbaar en realistisch. Droog, gewoon zoals je een tegenstander omzeilt op weg naar zijn doel. Piet was als de buurman, zoals hij zich altijd had gewenst. Gewoon een mens waar ik niet meer tegenop hoefde te zien – en dat was louter zijn verdienste. Maar toch: graag nog één keer de schaar van Pietje.

Guus van Holland is oud-sportverslaggever en voormalig chef sport van NRC Handelsblad.