Column

Een kunde

‘Elke dag zou toch om liefde moeten draaien?” zegt mijn neefje (negen jaar oud, het IQ van Copernicus) na een tijdje te hebben nagedacht over Valentijnsdag. „Totaal mee eens”, zegt mijn zus strijdvaardig, „daar gaan we campagne voor voeren!” Ze is momenteel zo verliefd dat ze aan haar zindelijkheid twijfelt en wij aan haar toerekeningsvatbaarheid. Mijn neefje richt zich maar tot mij.

„Tja,” zeg ik, „het is inderdaad triest dat er zoiets bestaat als een dag van de liefde. De markt springt er in ieder geval handig op in.” Mijn neefje denkt hier even over na en zegt dan:

„Dus omdat echte liefde zeldzaam is, verkoopt het?” Daar zijn we stil en sip van. Gelukkig staat mijn zus’ hypofyse op knappen, waardoor ze chronisch optimistisch is en ze ons meteen uit deze conversationele loopgraaf probeert te trekken.

„Dat is juist het leuke!” zegt mijn zus. „Het aantal dagen dat je je in je leven mag wentelen in ware, gepassioneerde, onvoorwaardelijke liefde zijn op de handen van een vuurwerkslachtoffer te tellen. Die schaarste maakt echte liefde zo heerlijk!”

Ik weet even niet of ik mijn zus een schop onder de tafel moet geven. Het is alsof ze tegen haar kind zegt dat liefde, net zoals Sinterklaas of leven na de dood, helemaal niet bestaat en dat hij daar heel blij om moet zijn, zonder hem uit te leggen waarom. Ik weet nog dat toen tot mij doordrong dat de liefde haar verwachtingen nooit helemaal zal inlossen, ik ontzettend van slag was.

Die avond lag ik in bed een beetje te piekeren over deze kwestie. Voor de meesten is Valentijnsdag een kleine steroïde-injectie voor een toch al geatrofieerd liefdesleven, meer niet. Ik moet denken aan een gesprek dat ik eerder deze week had met een fantastisch persoon. „Het probleem met de moderne mens”, zei hij, „is dat ze wordt grootgebracht met het idee dat ze recht heeft op onvoorwaardelijke liefde. Dat zorgt ervoor dat iedere potentiële geliefde je automatisch teleurstelt. Het zou al zoveel schelen als we leerden geven in plaats van eisen. Maar kom daar maar eens om in 2017, waar iedereen zich bij voorbaat verongelijkt voelt en we hebberigheid met de paplepel krijgen ingegoten.”

Ik heb me bij hem tot dusver nog niet verongelijkt gevoeld, maar wel hebberig. Dat durfde ik hem in deze fase van onze verstandhouding nog niet te zeggen. In plaats daarvan zei ik dat ik het een mooie gedachte vond dat we moeten leren om gul te zijn.

„Ja”, zei hij, „we moeten echt af van het idee dat liefde een gevoel is. Dat is grote onzin.” Hij is even stil, en zegt dan: „Liefde is een kunde.”

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.